Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4.

Artikel 12

Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid

Onderdeel van Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Venlo 2018

Indien een belanghebbende een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft betoond als bedoeld in artikel 18, tweede lid van de Wet, wordt een verlaging toegepast die wordt afgestemd op de periode dat de belanghebbende als gevolg van zijn gedraging eerder of langer recht heeft op bijstand. Behoudens, artikel 2, tweede lid van deze verordening, wordt de verlaging als bedoeld in het eerste lid op de volgende wijze vastgesteld: 50% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand bij een periode tot 6 maanden dat de klant eerder, langer of tot een hoger bedrag recht heeft op bijstand; 100% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij een periode van 6 maanden of langer, dat de klant eerder, langer of tot een hoger bedrag recht heeft op bijstand. In afwijking van het eerste en tweede lid bedraagt de maatregel bij onverantwoord besteden van vermogen: 100% van de bijstandsnorm gedurende één maand, gevolgd door 50% van de bijstandsnorm gedurende de overige maanden. Het totaal aantal maanden is gelijk aan het aantal maanden dat belanghebbende geen beroep had hoeven doen op bijstand als hij zijn vermogen wel verantwoord had besteed, uitgaande van een besteding van 1,5 maal de bijstandsnorm. De verlaging als gevolg van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid, bestaande in hetniet naar vermogen trachten de mogelijkheden naar uit ’s rijks kas bekostigd onderwijs te onderzoeken gedurende de termijn, genoemd in artikel 41, vierde lid, van de Wet, bedraagt 50% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand. In afwijking van de voorgaande leden kan de bijzondere bijstand geheel of gedeeltelijk wordengeweigerd, indien het beroep op bijzondere bijstand het gevolg is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel