Naar hoofdinhoud

Artikel 5

Maatstaf van heffing

Onderdeel van Verordening op de heffing en de invordering van rioolheffing 2018

1.. Eigenarendeel: 1.1 De belasting wordt geheven naar de waarde in het economisch verkeer van het perceel. 1.2 Ingeval het perceel een onroerende zaak is, is de waarde in het economisch verkeer de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde zoals deze voor het in artikel 7 bedoelde kalenderjaar geldt. 1.3 Ingeval voor het perceel geen waarde op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is vastgesteld, wordt de heffingsmaatstaf van dat perceel bepaald met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18 en 20, tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken. 1.4 Ingeval voor het perceel geen waarde kan worden vastgesteld met toepassing van het bepaalde in het tweede en derde lid en sprake is van een onroerende zaak als bedoeld in artikel 2 van de Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet waardering onroerende zaken bedraagt de belasting een vast bedrag per perceel. 2.. Gebruikersdeel: 2.1 De belasting wordt geheven naar het aantal kubieke meters wa­ter dat vanuit het perceel wordt afgevoerd. 2.2 Het aantal kubieke meters water wordt gesteld op het aantal kubieke meters leidingwater en grondwater dat in de laatste aan het begin van het belastingjaar vooraf­gaande ver­bruiks­periode naar het perceel is toegevoerd of opgepompt. Ingeval de verbruikspe­ri­ode niet gelijk is aan een periode van twaalf maan­den, wordt de hoeveelheid water door herleiding naar tijdsgelang bepaald. Bij die herleiding wordt een gedeelte van een kalendermaand voor een volle maand gerekend. 2.3 Ingeval gebruik wordt gemaakt van een pompinstallatie moet die pompin­stallatie zijn voorzien van een: a. watermeter, waarvan de hoeveelheid opgepompt water kan worden afgele­zen, of b. bedrijfsurenteller, waarvan het aantal uren dat een pompinstallatie met vaste capaciteit in bedrijf is geweest, kan worden afgelezen. De eerste volzin is niet van toepassing indien vaststelling van de hoe­veel­heid opgepompt water geschiedt op grond van enige andere wettelij­ke bepaling. 2.4 De op de voet van het tweede lid berekende hoeveel­heid toegevoerd of gepompt water wordt verminderd met de hoeveelheid water die niet is afgevoerd.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel