**1..** Behoudens een ontheffing van College is het verboden zonder daartoe bevoegd te zijn in de openbare wateren vaartuigen te laten liggen tussen zonsondergang en zonsopgang.
**2..** Het verbod als gesteld in het eerste lid is niet van toepassing op de door het College aangewezen (jacht)havens, aanlegsteigers en oevers.
**3..** Het is verboden zonder daartoe bevoegd te zijn in de openbare wateren:
vaartuigen af te meren anders dan aan de daartoe bestemde meerpalen, remmingspalen en dergelijke kennelijk speciaal voor dit doel bestemde meer-constructies;
eigenmachtig palen te slaan teneinde daaraan vaartuigen te kunnen afmeren;
met vaartuigen ligplaats in te nemen in de vóór de oever gelegen rietkraag,
in de in dit lid, onder c genoemde rietkraag dan wel in de oever te ankeren;
zich met een vaartuig te bevinden binnen een afstand van twintig meter van een als zodanig aangeduide vissteiger in de meren.
Hoofdstuk II. › Paragraaf C.
Artikel II.25