Naar hoofdinhoud
1.. De voorzitter bepaalt plaats en tijdstip van de zitting waarin de belanghebbende(n) en het verwerend orgaan in de gelegenheid worden gesteld in persoon of bij gemachtigde te worden gehoord. 2.. Degene die namens de belanghebbende(n) ter zitting het woord wenst te voeren moet voor aanvang een schriftelijke en door de belanghebbende(n) ondertekende machtiging overleggen, tenzij hij als advocaat of procureur is ingeschreven dan wel de belanghebbende(n) met hem ter zitting verschijnt. Een machtiging moet een dagtekening bevatten en mag niet ouder zijn dan een jaar. 3.. Tijdens een zitting worden geen geluid- en/of beeldregistraties gemaakt, tenzij de voorzitter hiervoor uitdrukkelijk toestemming geeft. 4.. Indien de voorzitter op grond van artikel 8, eerste lid onder d, besluit van het horen af te zien, doet hij daarvan mededeling aan de belanghebbende(n) en het verwerend orgaan.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel