**1..** Degene die op 1 januari van het belastingjaar belastingplichtig is aan wie niet uiterlijk op28 februari een aangiftebiljet is uitgereikt of een aanslag is opgelegd, is gehouden binnen twee weken na 1 maart bij de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde ambtenaar een verzoek in te dienen om te worden uitgenodigd tot het doen van aangifte.
**2..** De verplichting van het voorgaande lid geldt niet ten aanzien van de belastingplichtige waarvan het aantal honden dat wordt gehouden geen wijziging heeft ondergaan ten opzichte van het aantal honden op grond waarvan over het voorgaande belastingjaar een aanslag werd opgelegd.
**3..** Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar ontstaat, dan wel het aantal honden dat door de belastingplichtige wordt gehouden wijziging ondergaat, is de belastingplichtige gehouden binnen twee weken na het tijdstip waarop de belastingplicht is ontstaan, of de wijziging van het aantal honden heeft plaatsgevonden, bij de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde ambtenaar een verzoek in te dienen om te worden uitgenodigd tot het doen van aangifte.
**4..** De in dit artikel omschreven verplichtingen gelden mede voor de in de artikelen 43 en 44 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen bedoelde personen.
Artikel 3
Verplichting om te verzoeken uitgenodigd te worden tot het doen van aangifte
Onderdeel van UITVOERINGSREGELING MET BETREKKING TOT DE HEFFING EN INVORDERING VAN HONDENBELASTING 2018