**1..** In aanvulling op artikel 3.1 en 3.9 komt een cliënt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening beschermd wonen, anders dan in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, indien:
de cliënt niet in staat is zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving als gevolg van:
1◦. een psychiatrische aandoening;
2◦. een (lichte) verstandelijke beperking;
3◦. een onveilige en instabiele thuissituatie en het doorbrengen van een jeugd in de residentiële jeugdhulp in combinatie met een gebrekkig sociaal netwerk;
de cliënt een beperkte zelfredzaamheid heeft;
er voor de cliënt sprake is van de noodzaak tot bescherming van zichzelf of zijn omgeving; en
de cliënt niet beschikt over alternatieven die de noodzaak voor beschermd wonen kunnen opheffen.
**2..** Het college verbindt aan de maatwerkvoorziening de voorwaarden die noodzakelijk zijn voor het behalen van het beoogde resultaat. Deze voorwaarden hebben in ieder geval betrekking op:
de medewerking van de cliënt aan de verduidelijking van de ondersteuningsbehoefte;
de medewerking van de cliënt aan de uitvoering van de maatwerkvoorziening, en
het naleven van de cliënt van de leef- en gedragsregels binnen de maatwerkvoorziening.
**3..** Het college stelt de eigen bijdrage voor deze voorziening vast bij regeling.
**4..** Indien de cliënt onder de indicatiestelling beschermd wonen extramurale zorg ontvangt geldt geen eigen bijdrage.
**5..** Het college kan nadere regels stellen inzake de toegang, aard, inhoud en omvang van de in dit artikel genoemde maatwerkvoorziening.
Hoofdstuk 3
Artikel 3.11
Beschermd wonen
Onderdeel van Verordening maatschappelijke ondersteuning 2018