Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4

Artikel 4:7

Raming, waardering, activering en afschrijving investeringen in materiele vaste activa

Onderdeel van Algemene verordening financieel beheer en beleid gemeente Den Haag 2017

Begroting 1.. De raad stelt het Meerjarig Investeringsplan (MIP) en wijzigingen daarop vast als onderdeel van de begroting en stelt daarmee de investeringsbudgetten beschikbaar aan de burgemeester en wethouders. 2.. In het MIP worden de voorziene investeringen opgenomen (zowel nieuw als vervanging) in materiele vaste activa (ook wel kapitaalgoederen). Financiële bijdragen aan kapitaalgoederen in eigendom van derden worden niet geactiveerd, maar komen in het jaar van aanschaf ten laste van het budget van het betrokken programma en product. 3.. Het MIP bestaat uit een planningshorizon van acht jaar. 4.. Alle vaste activa worden voor het bedrag van de investering geactiveerd. In afwijking hierop worden de bijdragen van derden die in directe relatie staan met het actief op de waardering daarvan in mindering gebracht en moeten de voorzieningen, zoals bedoeld in BBV artikel 44, eerste lid, onderdeel d, in mindering gebracht worden op de investeringen, zoals bedoeld in BBV artikel 35, eerste lid, onderdeel b. In de programmabegroting- en rekening worden de investeringen bruto en netto gepresenteerd (dus zowel de totale projectkosten, als de bijdragen van derden of uit voorzieningen, als het gemeentelijk aandeel) 5.. In het MIP worden afzonderlijk onderscheiden investeringen met economisch nut, investeringen met economisch nut (gedekt uit heffingen) en investeringen met maatschappelijk nut. Onder investeringen met een meerjarig maatschappelijk nut, zoals bedoeld in BBV artikel 35, worden verstaan uitgaven inzake wegen, waterwegen, civiele kunstwerken, herinrichtingen en groen. Financiële dekking 6.. Investeringen in materiele vaste activa zijn in beginsel voorzien van dekking voor structurele kapitaallasten (rente en afschrijving) en dekking voor structurele financiële gevolgen voor beheer en onderhoud. Incidentele dekking van kapitaallasten via het instellen van een activareserve wordt expliciet aan de gemeenteraad voorgelegd bij besluitvorming over de begroting dan wel bij afzonderlijke besluitvorming over projecten. Uitvoering 7.. Voor het in uitvoering nemen van investeringsprojecten die een totale omvang hebben groter dan € 2,5 mln. en/of bestuurlijk relevant zijn, is een raadsbesluit nodig. Hierbij dient uitgegaan te worden van de totale (bruto) investering, dus het gemeentelijk aandeel plus bijdragen van derden. Over deze projecten wordt in het halfjaarbericht en de programmarekening expliciet gerapporteerd. Afwijkingen 8.. Een overschrijding van een investeringsraming in enig jaar is toegestaan, mits het totale investeringsbudget niet wordt overschreden. 9.. Burgemeester en wethouders besluiten over verrekeningen van over- en onderschrijdingen op investeringsbudgetten binnen een programma, verrekeningen van over- en onderschrijdingen op investeringsbudgetten tussen programma’s worden ter besluitvorming voorgelegd aan de raad. 10.. Burgemeester en wethouders leggen wijzigingen in jaarschijven van de investeringsbudgetten herfasering) en de eventueel daarbij behorende begrotingswijzigingen van de exploitatie ter besluitvorming voor aan de raad. Voorwaarden voor activering 11.. Voor de aanschaf van kapitaalgoederen met een economisch nut geldt dat: uitgaven inzake werkzaamheden aan vastgoed en sportaccommodaties gelijk aan of groter dan € 100.000 voor het totaal van het project worden geactiveerd en uitgaven kleiner dan € 100.000 voor het totaal van een project ten laste komen van het betreffende programma- en activiteitenbudget; uitgaven aan overige kapitaalgoederen gelijk aan of groter dan € 50.000 per stuk worden geactiveerd en uitgaven kleiner dan € 50.000 per stuk in het jaar van aanschaf ten laste komen van het betreffende programma- en activiteitenbudget. 12.. Voor investeringen met een meerjarig maatschappelijk nut geldt dat: uitgaven worden geactiveerd indien er sprake is van een eerste aanleg, een integrale vervanging van een actief of herinrichtingen van straten, pleinen, wegen, parken enz. waarbij een geheel nieuwe uitstraling ontstaat; uitgaven worden geactiveerd indien er op begrotingsbasis sprake is van een totaal investeringsbedrag (gemeentelijk aandeel plus bijdrage van derden) van meer dan € 2,5 mln. 13.. De uitvoering van regulier of achterstallig groot onderhoud leidt niet tot verlenging van de levensduur en wordt daarom niet geactiveerd. Afschrijvingstermijnen 14. Voor investeringen met een economisch nut worden de volgende standaard afschrijvingstermijnen gehanteerd: 40 jaar: nieuwbouw gebouwen (permanent) en rioleringen; een uitzondering hierop vormt het stadhuis-/ bibliotheekcomplex waarvoor met raadsbesluit 172/1997 (RIS 20092) een gebruiksduur van 50 jaar is vastgesteld; 25 jaar: sportterreinen, renovatie gebouwen, restauratie monumenten, aankoop gebouwen en glasvezelkabels; 20 jaar: parkeerterreinen; betonnen bakken voor Ondergrondse Restafvalcontainers (ORAC’s); 15 jaar: technische installaties in gebouwen (elektrische voorzieningen, verwarming, liften, machines); 10 jaar: (brandveiligheid)voorzieningen aan gebouwen; energiebesparende maatregelen in gebouwen; kunstopdrachten; telefooninstallaties; kantoormeubilair (nieuwe inrichting); aanleg terreinwerken (semi-permanent of tijdelijk); nieuwbouw gebouwen (semi-permanent, tijdelijk of verplaatsbaar); verbeteringen aan gebouwen (mits levensduur verlengend); stalen bakken voor Ondergrondse Restafvalcontainers (ORAC’s); sportaccommodaties; 5 jaar: zware transportmiddelen/aanhangwagens en schuiten; personenauto’s/lichte motorvoertuigen/motoren, automatiseringssystemen plus omvangrijke applicaties, duurzame productiemiddelen; software. Duurzame productiemiddelen die een aantoonbare kortere levensduur hebben, kunnen in een overeenkomstig kortere termijn worden afgeschreven. 15.. Voor investeringen met een maatschappelijk nut worden de standaard afschrijvingstermijnen gehanteerd: 25 jaar: civiele kunstwerken (bruggen, viaducten, tunnels). 20 jaar: eerste aanleg van wegen, fietspaden, voetpaden, rotondes, railinfrastructuur. 15 jaar: technische installaties (waaronder verkeersregelinstallaties) en openbare verlichting 10 jaar: herinrichting van de openbare ruimte. 16.. Voor investeringen in kapitaalgoederen die op 1 januari 2005 al geactiveerd waren, mogen de oorspronkelijke afschrijftermijnen blijven gelden. Rente en afschrijving 17.. Activa worden lineair afgeschreven. 18.. Bij investeringen gelden de volgende regels inzake rente en afschrijving: indien een investering in één jaar plaatsvindt, dan gelden de volgende regels inzake rente en afschrijving: er wordt geen voorfinancieringsrente in rekening gebracht over het actief. per 1 januari van het jaar volgend op oplevering/ingebruikname wordt een omslagrentelening aangegaan bij de Treasury. vanaf het jaar volgend op de ingebruikname wordt over deze lening omslagrente in rekening gebracht en wordt het actief volgens de geldende afschrijvingstermijn afgeschreven. Grondslag voor de rente is de boekwaarde per 1 januari van het lopende jaar. indien een investering over meerdere jaren verloopt, dan wordt dit gezien als een activum in uitvoering en geldt: Vanaf het tweede jaar tot en met het jaar van oplevering wordt voorfinancieringsrente (ook wel bouwrente) in rekening gebracht over het activum in uitvoering. Het rentepercentage dat hierbij gehanteerd wordt is hetzelfde als het omslagrentepercentage. Grondslag voor de rente is de boekwaarde per 1 januari van het lopende jaar. Voorfinancieringsrente bij nieuwe investeringen wordt niet geactiveerd, maar komt ten laste van de exploitatie. Per 1 januari van het tweede uitvoeringsjaar wordt een omslagrentelening aangegaan bij de Treasury. Vanaf het jaar volgend op de ingebruikname wordt over deze lening omslagrente in rekening gebracht en wordt het actief volgens de geldende afschrijvingstermijn afgeschreven. Grondslag voor de rente is de boekwaarde per 1 januari van het lopende jaar. Wijzigingen in de afschrijvingstermijnen van activa en inhaalafschrijvingen worden bij de begroting of bij begrotingswijziging in een raadsvoorstel doorgevoerd. Deze wijzigingen worden duidelijk toegelicht. De toelichting bevat: overwegingen voor nieuwe afschrijvingstermijn; omvang van de boekwaarde; omvang van de extra afboeking; gevolgen voor de financiële positie en de begroting van het volgende jaar. Overige bepalingen 19.. Bepalingen die relevant zijn op investeringen vanuit een Treasury optiek zijn beschreven in het door de raad vastgestelde Treasurystatuut en Uitvoeringsbesluit Treasurybeheer.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel