Artikel 6 Controle
Controle door verantwoordelijke op het gebruik van de
elektronische communicatiemiddelen vindt slechts plaats in het
kader van de in artikel 3 genoemde doeleinden. Deze doeleinden
stellen beperkingen aan de omvang en wijze van controle.
Controle ter voorkoming van onrechtmatig gebruik dan wel
misbruik van de elektronische communicatiemiddelen wordt zo
beperkt mogelijk gehouden, in die zin dat deze in redelijke
verhouding staat tot het doel waarvoor deze wordt aangewend.
Bovendien vindt de controle in beginsel geanonimiseerd en
slechts steekproefsgewijs plaats.
Controle in het kader van het beveiligen van het systeem en het
netwerk voor het tegengaan van virussen en andere schadelijke
programma’s vindt op geautomatiseerde wijze plaats.
Controle ter verkrijging van inzicht in de mate van gebruik van
de elektronische communicatiemiddelen wordt beperkt tot de
verkeersgegevens (tijd, hoeveelheid, omvang en dergelijke).
Indien vereist kan het college nadere richtlijnen stellen over
controle op het gebruik van de elektronische
communicatiemiddelen.
Controle vindt in beginsel plaats op het niveau van
getotaliseerde gegevens die niet herleidbaar zijn tot
individuele personen. Indien een medewerker of een groep
medewerkers wordt verdacht van het overtreden van regels, kan
gedurende een vastgestelde (korte) periode gerichte controle
plaatsvinden.
Controle beperkt zich in principe tot verkeersgegevens van het
gebruik van de elektronische communicatiemiddelen. Alleen bij
zwaarwegende redenen vindt er controle op de inhoud plaats.
Onrechtmatig gebruik dan wel misbruik van de elektronische
communicatiemiddelen wordt zo veel mogelijk softwarematig
onmogelijk gemaakt.
Indien geconstateerd wordt dat een medewerker dit
privacyreglement overtreedt, dan wordt de betrokken medewerker
in formele zin zo spoedig mogelijk hierop aangesproken door de
leidinggevende.