Naar hoofdinhoud
(artikel 67f van de AWR) Met betrekking tot belastingen die op aangifte moeten worden voldaan, legt de heffingsambtenaar een vergrijpboete op indien het aan opzet of grove schuld van de belanghebbende is te wijten dat de belasting niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet tijdig is betaald. Bij niet of gedeeltelijk niet betalen van belasting legt de heffingsambtenaar de vergrijpboete op, gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag. Indien wegens niet tijdige betaling van belasting geen naheffingsaanslag wordt opgelegd of in het geval bedoeld in artikel 67f, vijfde lid, van de AWR, wordt de vergrijpboete opgelegd bij een afzonderlijke beschikking. De bevoegdheid om deze vergrijpboete op te leggen vervalt door verloop van vijf jaar na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan. Ook voor deze vergrijpboeten geldt in voorkomende gevallen een verlenging van de termijn voor het opleggen van de boete met ten hoogste zes maanden na de vaststelling van de naheffingsaanslag. Hetgeen hierover in paragraaf 27 van dit besluit is opgemerkt, is van overeenkomstige toepassing. Indien de belasting die op aangifte moet worden voldaan, niet of gedeeltelijk niet is betaald maar de belanghebbende, voordat hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de heffingsambtenaar bekend is of zal worden met dat feit, schriftelijk uitdrukkelijk kenbaar maakt aan de heffingsambtenaar dat en tot welk bedrag niet of gedeeltelijk niet is betaald, legt de heffingsambtenaar geen vergrijpboete op ('vrijwillige verbetering') als bedoeld in artikel 67f van de AWR.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel