Naar hoofdinhoud
1.. Onverminderd het bepaalde in artikel 1, eerste lid, verleent de heffingsambtenaar uitsluitend ambtshalve vermindering in de in dit artikel bedoelde gevallen, alsmede ingeval de in artikel 3, eerste lid, bedoelde afwijkende regeling daartoe aanleiding geeft. 2.. Ingeval de waarde van een onroerende zaak had behoren te zijn vastgesteld op een bedrag dat tenminste 20% met een minimum van € 5.000,-- lager is dan de te hoog vastgestelde waarde van die onroerende zaak, verleent de heffingsambtenaar ambtshalve vermindering voor het verschil tussen beide waarden, indien: een bezwaarschrift niet-ontvankelijk wordt verklaard wegens het te laat indienen van het bezwaarschrift dan wel om andere redenen van formele aard, of hem dat ambtshalve uit enig feit blijkt. 3.. Ingeval de waarde van de onroerende zaak in het waardetijdvak had behoren te zijn vastgesteld op een bedrag dat tenminste de voor die onroerende zaak in artikel 26a van de Wet WOZ van toepassing zijnde marge overschrijdt, verleent de heffingsambtenaar slechts ambtshalve vermindering voor de in dat waardetijdvak voor die onroerende zaak bij beschikking vastgestelde waarde (Zie bijlage). De ambtshalve vermindering vindt plaats door vaststelling van een nieuwe waarde voor de onroerende zaak bij beschikking. 4.. De belastingplichtige dient aan te tonen dat de in artikel 26a van de Wet WOZ genoemde marge is overschreden.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel