Naar hoofdinhoud

Artikel 2.

Uitgifteplafond parkeervergunningen

Onderdeel van Besluit uitgifte parkeervergunningen 2018

1.. De maatstaf voor de berekening van het uitgifteplafond wordt bepaald aan dehand van het aantal parkeerplaatsen en het verwachte gebruik hiervan, waarvan verwacht wordt dat deze gedurende het jaar waarin de parkeervergunningen zijn verleend, gehandhaafd blijven of zullen ontstaan. 2.. Indien het aantal beschikbare betaald parkeerplaatsen in een parkeerzone gedurende het kalen¬derjaar met meer dan vijf procent toe- of afneemt, kan het college het uitgifteplafond opnieuw vaststellen. 3.. Per 1 januari 2018 bedraagt het uitgifteplafond voor parkeervergunningen Bewoners,: voor parkeerzone B1: 289, voor parkeerzone B2: 132, voor parkeerzone D1: 374, voor parkeerzone D2: 462, voor parkeerzone M1: 317, voor parkeerzone M2: 83, voor parkeerzone M3: 118, voor parkeerzone W1: 1019, met dien verstande dat de daadwerkelijk te verlenen parkeervergunningen Bewoners 95 procent van het uitgifteplafond per parkeerzone bedraagt. 4.. In afwijking van het derde lid kan voor de eerste parkeervergunning Bewoners als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel a, het uitgifteplafond worden gehanteerd. 5.. Per 1 januari 2018 bedraagt het uitgifteplafond Zakelijk, Detailhandel en Horeca en Scholen, met uitzondering van een werkparkeervergunning als bedoeld in artikel 12: voor parkeerzone B1: 96, voor parkeerzone B2: 529, voor parkeerzone D1: 125, voor parkeerzone D2: 115, voor parkeerzone M1: 171, voor parkeerzone M2: 248, voor parkeerzone M3: 219, voor parkeerzone W1: 55, met dien verstande dat de daadwerkelijk te verlenen parkeervergunningen Zakelijk, Detailhandel en Horeca en Scholen 95 procent van het uitgifteplafond per parkeerzone bedraagt.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel