Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3

Artikel 20

Aanvullende criteria woonvoorziening

Onderdeel van Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Heemskerk 2018

1.. In aanvulling op artikel 10 van deze verordening kan een cliënt in aanmerking komen voor een woonvoorziening als hij: aantoonbaar niet in staat is tot het normale gebruik van de (eigen) woning, en alles heeft gedaan om een geschikte woning te bewonen, of een aantoonbare beperkingen of aanwezige gedragsstoornis heeft met ernstig ontremd gedrag tot gevolg, waarbij alleen het zich kunnen afzonderen kan leiden tot een situatie waarin deze persoon met beperkingen tot rust kan komen. 2.. Voor zover de cliënt kan verhuizen naar een geschikte woning of een gemakkelijker geschikt te maken woning in de gemeente Heemskerk of in de nabijheid van gemeente Heemskerk liggende gemeente, zal deze mogelijkheid eerst beoordeeld worden. De beoordeling vindt alleen plaats indien de kosten van het aanpassen van de woning het in de nadere regels genoemde bedrag te boven gaan. 3.. Een cliënt kan alleen voor een woonvoorziening in aanmerking komen wanneer deze langdurig noodzakelijk is en verhuizing niet de goedkoopst adequate voorziening is of naar het oordeel van het college niet mogelijk of niet wenselijk is. 4.. Het college kan een maatwerkvoorziening treffen gericht op de verhuizing van de cliënt op wie het primaat als bedoeld in het tweede lid van toepassing is. 5.. Een woonvoorziening wordt slechts verstrekt als de cliënt zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de woonruimte waaraan de voorziening wordt getroffen, dan wel voor het bezoekbaar maken van een andere woning dan waar de cliënt met beperkingen zijn hoofdverblijf heeft als het hoofdverblijf van de cliënt in een erkende zorginstelling is. 6.. Geen woonvoorziening wordt verstrekt: voor zover de beperkingen voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen; ten behoeve van hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woning, vakantie‐ en recreatiewoningen, ADL‐clusterwoningen en gehuurde kamers, met uitzondering van een voorziening voor verhuizing; voor zover het voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten betreft, anders dan automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte; indien de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding bestaat op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie en er geen belangrijke of dringende reden voor verhuizing aanwezig is, tenzij voorafgaand aan de verhuizing schriftelijk toestemming is verleend door het college; indien de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment meest geschikte woning, tenzij voorafgaand aan de verhuizing schriftelijk toestemming is verleend door het college.

Rechtspraak bij dit artikel