Naar hoofdinhoud

Artikel 3

Belastingplicht

Onderdeel van VERORDENING TOERISTENBELASTING 2018

1.. Belastingplichtig is degene die gelegenheid biedt tot verblijf als bedoeld in artikel 2 in hem ter beschikking staande ruimten dan wel op hem ter beschikking staande terreinen. 2.. De belastingplichtige is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene, ter zake van wiens verblijf de belasting verschuldigd wordt. 3.. Indien met toepassing van het eerste lid geen belastingplichtige is aan te wijzen, is belastingplichtig degene die overeenkomstig het bepaalde in artikel 2 verblijf houdt. Artikel 4 Vrijstellingen De belasting wordt niet geheven ter zake van het verblijf: door degene, die: verblijft in een toegelaten instelling als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Wet Toelating Zorginstellingen; tijdelijk in de gemeente verblijft als deelnemer aan een zogenaamde schoolwerkweek, dan wel aan een zogenaamd landgoedwerkkamp; verblijf houdt in een groepsaccommodatie als bedoeld in artikel 1, onder e van deze verordening. van een vreemdeling als bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, die rechtmatig in Nederland verblijft in de zin van artikel 8, letters c, d, f, g, h. van voornoemde wet, en voorzover deze persoon verblijf houdt als bedoeld in artikel 2 van de Verordening, onder verantwoordelijkheid van het Centraal orgaan opvang asielzoekers. Artikel 5 Maatstaf van heffing De belasting wordt geheven naar het werkelijke aantal overnachtingen. Het aantal overnachtingen wordt gesteld op het aantal overnachtende personen vermenigvuldigd met het aantal nachten. Artikel 6 Opteren voor forfaitaire berekeningswijze van de maatstaf vanheffing Op een door de belastingplichtige vóór aanvang van het belastingjaar gedane aanvraag, wordt het aantal overnachtingen in afwijking van artikel 5 forfaitair bepaald, waarbij: het aantal personen dat heeft overnacht met betrekking tot: mobiele kampeeronderkomens en stacaravans op vaste standplaatsen wordt bepaald op 2,5 personen; mobiele kampeeronderkomens op niet-vaste standplaatsen wordt bepaald op 2,8 personen; hotels en pensions wordt bepaald op 1 persoon per slaapplaats; het aantal malen dat door de in het eerste lid bedoelde personen is overnacht: in geval verblijf wordt gehouden in mobiele kampeeronderkomens en stacaravans op vaste standplaatsen wordt bepaald op 59; in geval verblijf wordt gehouden in mobiele kampeeronderkomens en stacaravans op niet-vaste standplaatsen wordt bepaald op 58; in geval verblijf wordt gehouden in hotels en pensions wordt bepaald op 203; ingeval verblijf wordt gehouden op een terrein met meer dan honderd vakantie-onderkomens wordt het aantal overnachtingen per onderkomen bepaald op: 603 indien het aantal slaapplaatsen vier of minder bedraagt; 741 indien het aantal slaapplaatsen vijf of zes bedraagt; 881 indien het aantal slaapplaatsen meer dan zes bedraagt; ingeval verblijf wordt gehouden op een terrein met honderd of minder vakantie-onderkomens wordt het aantal overnachtingen per onderkomen bepaald op: 254 indien het aantal slaapplaatsen vier of minder bedraagt; 366 indien het aantal slaapplaatsen vijf of zes bedraagt; 464 indien het aantal slaapplaatsen meer dan zes bedraagt. Voor toepassing van het eerste lid wordt het aantal mobiele kampeeronderkomens bepaald op het aantal vaste standplaatsen op 1 januari van het belastingjaar. Voor de toepassing van het eerste lid worden niet als afzonderlijk onderkomen aangemerkt slaaptentjes van kinderen, welke tentjes behoren bij onderkomens of vakantiehuisjes, waarin gelijktijdig ouders of verzorgers van die kinderen overnachten.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel