Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3 › Paragraaf 4

Artikel 22

Criteria persoonsgebonden budget

Onderdeel van Verordening jeugdhulp gemeente Hilversum 2018

1.. Het college verstrekt een persoonsgebonden budget in overeenstemming met artikel 8.1.1 van de wet indien: de jeugdige of zijn ouders naar het oordeel van het college op eigen kracht voldoende in staat zijn tot een redelijke waardering van de belangen ter zake dan wel met hulp uit hun sociale netwerk dan wel van een curator, bewindvoerder, mentor, gemachtigde, gecertificeerde instelling of aanbieder van gesloten jeugdhulp, in staat zijn de aan het budget verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren, en; de jeugdige en zijn ouders zich gemotiveerd op het standpunt stellen dat zij de individuele voorziening die wordt geleverd door een door het college voorgestelde aanbieder, niet passend achten, en; naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort en die de jeugdige en zijn ouder van het persoonsgebonden budget willen betrekken, van goede kwaliteit is. 2.. Het college kan een persoonsgebonden budget weigeren indien het college eerder toepassing heeft gegeven aan artikel 8.1.4 eerste lid, onderdeel a, d of e van de wet. 3.. Onverminderd artikel 8.1.1 van de wet, verstrekt het college geen persoonsgebonden budget voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de belanghebbende voorafgaand aan de indiening van de aanvraag heeft gemaakt en niet meer is na te gaan of de ingekochte voorziening noodzakelijk was. 4.. Het college stelt aan het persoonsgebonden budget verbonden voorwaarden en verplichtingen in de vast. Indien de jeugdige of de ouder de individuele voorziening als een persoonsgebonden budget verstrekt krijgt, gelden de volgende voorwaarden: a.. indien de jeugdige of zijn ouders zorg inkopen bij derden, zijn zij verplicht een zorgovereenkomst af te sluiten met deze zorgverlener(s); b.. het is niet toegestaan bemiddelingskosten of administratiekosten te betalen vanuit het persoonsgebonden budget; c.. de werkgeverslasten worden uit het persoonsgebonden budget betaald; d.. het is niet toegestaan de zorgverlener een eenmalige uitkering te verstrekken vanuit het persoonsgebonden budget; e.. het is niet toegestaan de zorgverlener reiskosten te vergoeden vanuit het persoonsgebonden budget; f.. het is toegestaan de zorgverlener een feestdagenuitkering van maximaal € 200,- te verstrekken vanuit het persoonsgebonden budget; g.. indien het persoonsgebonden budget aan het eind van het kalenderjaar niet geheel is besteed, kan de jeugdige of zijn ouder aanspraak maken op een verantwoordingsvrij bedrag van maximaal € 100,-; h.. indien de houder van het persoonsgebonden budget overlijdt, is het toegestaan om ten laste van het persoonsgebonden budget aan de zorgverlener(s) die werknemer of opdrachtnemer is c.q. zijn van de budgethouder een eenmalige uitkering te verstrekken ter hoogte van het periodebedrag voor vier weken.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel