**1..** De aflossing vangt aan op het moment van beëindiging van de bijstandverlening en vindt maandelijks plaats.
**2..** Het maandbedrag voor de aflossing wordt telkens voor een periode van een jaar vastgesteld.
**3..** Bij een inkomen als bedoeld in artikel 32 van de Participatiewet, dat meer bedraagt dan de voor belanghebbende van toepassing zijnde bijstandsnorm, wordt de aflossing vastgesteld op 50% van het meerdere. Tot aflossing wordt pas overgegaan als het inkomen hoger is dan de van toepassing zijnde bijstandsnorm.
**4..** Indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven, stelt het college, zo nodig tussentijds, het maandbedrag van de aflossing op een lager dan wel hoger bedrag vast.
**5..** Bij de beoordeling van de omstandigheden als bedoeld in het vijfde lid, wordt rekening gehouden met de noodzakelijke, voor eigen rekening van belanghebbende komende bijzondere bestaanskosten. Deze worden in mindering gebracht op het inkomen.
**6..** Indiende belanghebbende tijdens de aflossingsperiode niet aan zijn verplichtingen voldoet, is het nog niet afgeloste deel van de geldlening onverwijld opeisbaar en is tevens enkelvoudige wettelijke rente verschuldigd over de achterstallige termijnen.
**7..** Over de rentevordering is geen rente verschuldigd.
Artikel 6.
Aflossing en rente geldlening
Onderdeel van Gewijzigde beleidsregels krediethypotheek en pandrecht 2018