13.1
Verstrekking in de vorm van persoonsgebonden budget vindt niet of niet langer plaats als:
op grond van aanwijzingen die tijdens het onderzoek duidelijk zijn geworden het ernstige vermoeden bestaat dat de aanvrager problemen zal hebben bij het omgaan met een persoonsgebonden budget;
er sprake is van vastgesteld oneigenlijk gebruik of misbruik van een persoonsgebonden budget in het verleden;
er naar het oordeel van het college andere, zwaarwegende, bezwaren bestaan tegen de verstrekking.
13.2
Alleen in uitzonderingssituaties bij zwaarwegende redenen is inzet van een persoonsgebonden budget door mensen uit het sociale netwerk van de cliënt mogelijk met dien verstande dat uit het onderzoek en de gesprek(ken) blijkt wat het sociale netwerk kan en wil doen en voor welk onderdeel een maatwerkvoorziening nodig is. De volgende voorwaarden spelen een rol:
Voor gezinsleden binnen hetzelfde huishouden als de aanvrager kan de gemeente gebruik maken van de bepalingen rond gebruikelijke zorg die zijn vastgelegd in het protocol Gebruikelijke Zorg van het CIZ.
Bij de beoordeling door het college of sprake is van hulp die anders zonder betaling geleverd zou worden uit het sociale netwerk van de cliënt spelen in elk geval de volgende aspecten een rol:
het type hulp dat wordt geleverd;
de frequentie van de hulp;
is er sprake van een tijdelijke hulpvraag of van hulp over een lange periode;
de mate van verplichting (kan degene die de hulp levert een keer overslaan als hij/zij ziek is of op vakantie wil, of is dit niet mogelijk?).
HOOFDSTUK 3
Artikel 13
Artikel 13
Onderdeel van Besluit nadere regelingen Wmo 2015 en Jeugdhulp 2015 van de gemeente Mook en Middelaar