1.Burgemeester en wethouders verlenen de huisvestingsvergunning,
indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
a.het huishouden dat de huisvestingsvergunning aanvraagt behoort tot de
ingevolge paragraaf 2.4 aangewezen categorieën van woningzoekenden
die voor het verkrijgen van een huisvestingsvergunning in aanmerking
komen;
b.de woonruimte wordt met toepassing van het bepaalde in paragraaf 2.5
passend geacht voor het huishouden dat de huisvestingsvergunning
aanvraagt;
c.er is voor de woonruimte niet een ander huishouden ingeschreven in
het in artikel 2.2.1 bedoelde register, dat gegadigde is voor de
woonruimte en waarvoor met toepassing van het bepaalde in paragraaf
2.6 (urgentie) en/of 2.7 (voordracht) de voorziening in de behoefte aan
woonruimte dringender noodzakelijk is.
2.Het in het vorige lid, sub c, bepaalde blijft buiten toepassing, indien zich een
situatie voordoet als aangegeven in artikel 9 van het besluit
(medehuurderschap en voorgenomen woningruil).
3.In afwijking van het in het eerste lid bepaalde kan de huisvestingsvergunning
eveneens verleend worden, indien de woonruimte met toepassing van het
bepaalde in paragraaf 2.5 passender geacht wordt voor het huishouden dat
de huisvestingsvergunning aanvraagt dan de woonruimte welke het
huishouden verlaat.
Hoofdstuk 2 › Paragraaf 2.3
Artikel 2.3.3
Criteria voor vergunningverlening
Onderdeel van Verordening houdende regels omtrent de verdeling van woonruimte en de wijziging van de samenstelling van de woonruimtevoorraad