Naar hoofdinhoud
Eerste lid De WWB verbindt aan het recht op een bijstandsuitkering de volgende verplichtingen: Het tonen van voldoende besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan (artikel 18, tweede lid) De plicht tot arbeidsinschakeling (artikel 9). Deze plicht bestaat uit twee soorten verplichtingen: de plicht om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en deze te aanvaarden; en de plicht gebruik te maken van een door het college geboden voorziening gericht op ondersteuning bij arbeidsinschakeling; deze verplichtingen zullen nader moeten worden uitgewerkt in specifieke verplichtingen die zijn toegesneden op de situatie en mogelijkheden van de bijstandsgerechtigde; de participatieverordening die elke gemeente moet opstellen, vormt de juridische basis voor het opleggen van deze specifieke verplichtingen; deze verplichtingen zullen in het besluit tot het verlenen van bijstand moeten worden neergelegd. De informatieplicht (artikel 17, eerste lid). Op een uitkeringsgerechtigde rust de verplichting aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. De medewerkingsplicht (artikel 17, tweede lid). Dit is de plicht van uitkeringsgerechtigden om desgevraagd het college de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de wet. De medewerkingsplicht kan uit allerlei concrete verplichtingen bestaan zoals: Het toestaan van huisbezoek; Het meewerken aan een medisch onderzoek Artikel 18, tweede lid, noemt een gedraging die in ieder geval een schending van de verplichtingen inhoudt: ‘het jegens het college zeer ernstig misdragen’. De IOAW verbindt aan het recht op een uitkering de volgende verplichtingen: Het verwerven van inkomen (artikel 20 lid 1). Hieronder kunnen worden geschaard: het voorkomen van beëindiging van de dienstbetrekking vanwege een dringende reden (onder a); het voorkomen van beëindiging van de dienstbetrekking op verzoek, terwijl de voortzetting redelijkerwijs wel kan worden gevergd (onder b); De plicht tot arbeidsinschakeling (artikel 37 lid 1): naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen (onder a); registratie als werkzoekende bij UWVWerkbedrijf (onder b); algemeen geaccepteerde arbeid aanvaarden (onder c); na te laten hetgeen inschakeling in de arbeid belemmert (onder d); gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening, waaronder sociale activering, en medewerking aan onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling De informatieplicht (artikel 13, eerste lid). Op een uitkeringsgerechtigde rust de verplichting aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. De medewerkingsplicht (artikel 13, tweede lid). Dit is de plicht van uitkeringsgerechtigden om desgevraagd het college de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de wet. De medewerkingsplicht kan uit allerlei concrete verplichtingen bestaan zoals: Het toestaan van huisbezoek; Het meewerken aan medisch onderzoek. De IOAZ verbindt aan het recht op een uitkering de volgende verplichtingen: 1.Het voldoende inzetten voor de voorziening in het bestaan (artikel 20 lid 1). Hier kunnen onder worden geschaard: het voorkomen van beëindiging van de dienstbetrekking vanwege een dringende reden (artikel 20 lid 2 onder a); het voorkomen van beëindiging van de dienstbetrekking op verzoek zonder dat de voortzetting redelijkerwijs niet kan worden gevergd (artikel 20 lid 2 onder b); 2.De plicht tot arbeidsinschakeling (artikel 37 lid 1): naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen (onder a); registratie als werkzoekende bij UWVWerkbedrijf (onder b); algemeen geaccepteerde arbeid aanvaarden (onder c); na te laten hetgeen inschakeling in de arbeid belemmert (onder d); gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening, waaronder sociale activering, en medewerking aan onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling De informatieplicht (artikel 13, eerste lid). Op een uitkeringsgerechtigde rust de verplichting aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. De medewerkingplicht (artikel 13, tweede lid). Dit is de plicht van uitkeringsgerechtigden om desgevraagd het college de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de wet. De medewerkingplicht kan uit allerlei concrete verplichtingen bestaan zoals: Het toestaan van huisbezoek; Het meewerken aan medisch onderzoek. De wet Suwi legt ook verplichtingen op aan uitkeringsgerechtigden. Het betreft de verplichting om alle gevraagde gegevens en bewijsstukken aan UWVWerkbedrijf te verstrekken die nodig zijn voor de beslissing door het college (artikel 30c, tweede en derde lid Wet Suwi) en de verplichting om op verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee te delen aan UWVWerkbedrijf, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op een uitkering, het geldend maken van het recht op een uitkering of de hoogte of de duur van de uitkering. Tweede lid In de afstemmingsverordening zijn door allerlei gedragingen die een schending van een verplichting betekenen, standaardmaatregelen vastgesteld in de vorm van een vaste (percentuele) verlaging van de bijstandsnorm of grondslag. In het tweede lid is de hoofdregel neergelegd: het college dient een op te leggen maatregel af te stemmen op de individuele omstandigheden van de belanghebbende en de mate van verwijtbaarheid. Deze bepaling brengt met zich mee dat de het college bij elke op te leggen maatregel zal moeten nagaan of gelet op de individuele omstandigheden van de betrokken uitkeringsgerechtigde afwijking van de hoogte en de duur van de voorgeschreven standaardmaatregel geboden is. Afwijking van de standaardmaatregel kan zowel een verzwaring als een matiging betekenen. Dit betekent dat het college bij het beoordelen of een maatregel moet worden opgelegd, en zoja welke, telkens de volgende drie stappen moet doorlopen: Stap 1: vaststellen van de ernst van de gedraging Stap 2: vaststellen van de verwijtbaarheid Stap 3: vaststellen van de omstandigheden van de uitkeringsgerechtigde. De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in het standaardpercentage waarmee de bijstand of grondslag wordt verlaagd. Wat betreft de beoordeling van de mate van verwijtbaarheid wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 6. Matiging van de opgelegde maatregel wegens persoonlijke omstandigheden kan bijvoorbeeld in de volgende gevallen aan de orde zijn: Bijzondere financiële omstandigheden van de belanghebbende, zoals hoge woonlasten of andere vaste lasten of uitgaven van bijzondere aard waarvoor geen financiële tegemoetkoming mogelijk is; Sociale omstandigheden, zoals gezinnen met kinderen; Bij een opeenstapeling van maatregelen: de zwaarte van het geheel van maatregelen is niet evenredig aan de ernst van de gedraging en de mate van verwijtbaarheid.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel