**1..** De directeur van de DCMR Milieudienst Rijnmond en de door hem gemandateerden nemen bij de aan hem in mandaat opgedragen bevoegdheden de algemene instructies en de instructies per geval van het college in acht, als bedoeld in artikel 10:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
**2..** De directeur van de DCMR Milieudienst Rijnmond en de door hem gemandateerden betrekken bij de uitoefening van de aan hem opgedragen bevoegdheden de relevante door de gemeenteraad vastgestelde kaders alsmede het door het college vastgestelde beleid.
**3..** De gemeente zorgt ervoor dat de directeur van de DCMR Milieudienst Rijnmond en de directeur van de Omgevingsdienst Midden-Holland over alle benodigde informatie noodzakelijk voor de uitvoering van het in het eerste lid bepaalde kan beschikken.
**4..** De gemeente treedt bij voorgenomen nieuw beleid of beleidwijzigingen in overleg met de directeur van de DCMR Milieudienst Rijnmond over uitvoeringsaspecten indien dat beleid raakt aan de taken en bevoegdheden die de DCMR Milieudienst Rijnmond uitvoert.
**5..** De directeur van de DCMR Milieudienst Rijnmond treedt in overleg met de gemeente indien hij het noodzakelijk acht af te wijken van de in het tweede lid bedoelde kaders of beleid. De directeur van de DCMR Milieudienst Rijnmond betrekt indien nodig de directeur van de Omgevingsdienst Midden-Holland bij dit overleg.
**6..** Een ieder aan wie bij of krachtens dit besluit mandaat of ondermandaat is verleend informeert het college indien de uitoefening van een gemandateerde bevoegdheid naar verwachting politieke en maatschappelijke gevolgen kan hebben of indien een besluit tot consequentie kan hebben dat de gemeente aansprakelijk wordt gesteld of anderszins aangesproken wordt. In de gevallen bedoeld in de vorige volzin verschaft de directeur van de DCMR Milieudienst Rijnmond tijdig alle benodigde informatie en voert hij overleg met de gemeente alvorens de bewuste bevoegdheid uit te oefenen