Gebiedspecifiek beleid is noodzakelijk omdat de bodemkwaliteit niet voldoet aan de functie. Binnen de bebouwde kom geldt dit voor gemiddelden van stoffen voor een aantal zones uit de bodemkwaliteitskaart bebouwde kommen Eijsden:
Bovengrond
Eijsden vóór 1970;
Eijsden na 1970;
Wonen overig vóór 1970;
Ondergrond
Eijsden vóór 1970;
Als voor deze zones het generieke kader wordt gevolgd betekent dit dat hergebruik van gebiedseigen grond niet mogelijk is. Door Lokale Maximale Waarden te definiëren wordt hergebruik van gebiedseigen grond wel mogelijk gemaakt.
Voor bovengrond van de zones “Eijsden vóór 1970 “, “Eijsden na 1970”, “wonen overig voor 1970” en de ondergrond van de zone “Eijsden voor 1970” voldoet het gemiddelde niet aan de maximale waarde voor ‘Wonen’. Voor voornoemde zones voldoet het 50percentiel van de stoffen over het algemeen wel of nagenoeg aan de maximale waarden voor de klasse “wonen”, behalve voor zink.
Gezien de lage dynamiek van deze zones is er voor gekozen om de LMW’s op het generieke functienormniveau te leggen, in dit geval de maximale waarde voor de functieklasse “Wonen”. In 50 % van de gevallen is hergebruik binnen de zone mogelijk. Hiermee wordt een verbetering van de bodemkwaliteit naar een kwaliteit die hoort bij het gebruik van de functie. De uitzondering wordt gevormd door de stof zink, waarvoor de maximale waarde voor de functieklasse “Industrie” geldt.
Ter onderbouwing van de lokale maximale waarden is een risico-onderbouwing noodzakelijk voor die stoffen die afwijken van het generieke functienormniveau. In dit geval is het zink waarvoor de maximale waarde voor de functieklasse “Industrie” geldt als Lokale maximale waarde. In bijlage 2 is een rapport van de Risicotoolboxbodem opgenomen waarin de risico’s met betrekking tot zink in Eijsden worden beschouwd. Voor zink is het gemiddelde van de zone Eijsden kern voor 1970 ingevoerd.
Bij het bodemgebruik wonen met tuin is er geen sprake van humane risico’s voor de gemiddelden en wordt uitgegaan van een matig ecologisch beschermingsniveau.
In de onderstaande tabel is de relatie weergegeven tussen de bodemfunctie en het humaan en ecologisch beschermingsniveau.
Tabel 3: Humaan en ecologische beschermingsniveau per bodemfunctie
Bodemfunctie
Humaan
Mate bodemcontact
Humaan
Mate gewasconsumptie
Ecologisch Beschermingsniveau
wonen met tuin
Veel
Beperkt
Gemiddeld
plaatsen waar kinderen spelen
Veel
Geen
i) met een gemiddelde ecologisch waarde
Gemiddeld
ii) weinig ecologische waarde
Matig
moestuin en volkstuinen:
Veel
Gemiddeld
i) grote moestuinen
Veel
ii) kleine moestuinen
Gemiddeld
landbouw
Veel
Beperkt
Gemiddeld
natuur
Weinig
Geen
Hoog
groen en natuurwaarden
Weinig
Geen
Gemiddeld
ander groen, bebouwing, infrastructuur en industrie
Weinig
Geen
Matig
i) nagenoeg geheel verhard
ii) niet nagenoeg geheel verhard
De afwijking van het ecologisch niveau van gemiddeld naar matig kan worden onderbouwd door te veronderstellen dat het grootste deel van de bebouwde kom bebouwd is en er bijvoorbeeld geen sprake is van een villawijk met veel groen. Er wordt geaccepteerd dat het maximale ecologische beschermingsniveau niet wordt gehaald, omdat door herontwikkeling van het deelgebied absoluut gezien de ecologie verbeterd wordt ten opzichte van de huidige situatie.
Op basis van voornoemde argumenten is gekozen voor de industrienorm voor zink. De industrienorm, 720 mg/kg ds. voor zink, ligt net boven het 50 percentiel voor de zone. Zo blijft minimaal circa 50% van de hergebruikmogelijkheden gehandhaafd.
De gemeente kan er voor kiezen om het beheergebied, zijnde het gebied waar de grond van afkomstig is, te beperken tot de gemeentegrens van Heuvelland. Hiermee wordt voorkomen dat er een aanrijking van verontreiniging plaats vindt binnen dit gebied. Indien grond van elders wordt aangevoerd, dient deze te voldoen aan de functienorm, zijnde “wonen”. Hiermee wordt op den duur een bodemkwaliteit bereikt die past bij het duurzaam bodemgebruik. Dit geldt dus ook voor de kwaliteit van de aanvulgrond bij saneringen.
Hoofdstuk 2
Artikel 2.14.2