Voor wat betreft hergebruik van grond en baggerspecie, zijn in het Besluit bodemkwaliteit de volgende algemene uitgangspunten opgenomen:
de kwaliteit van de her te gebruiken grond en baggerspecie, moet geschikt zijn voor de functie (landbouw/natuur, wonen of industrie) van het gebied waarbinnen de grond of baggerspecie wordt toegepast;
de kwaliteit van de her te gebruiken grond en baggerspecie, mag niet slechter zijn dan de kwaliteit van de ontvangende bodem van het gebied/de locatie waarbinnen de grond of baggerspecie wordt toegepast.
Wat betreft de te hanteren regelgeving voor het hergebruik van grond en baggerspecie, geeft het Besluit de gemeenten de verantwoordelijkheid met de keuze uit twee mogelijkheden:
Gebruikmaking van het algemene, landelijke beleid voor het hergebruik van grond en baggerspecie: het zogenaamde generieke beleid. Dit beleid wordt gekarakteriseerd door een hoog beschermingsniveau.
Voor de verkrijging van noodzakelijk of gewenst lokaal maatwerk voor het hergebruik van grond en baggerspecie, de vaststelling van zogenaamd gebiedspecifiek beleid. Met behulp van gebiedspecifiek beleid kan met behulp van lokale invulling van de normen de maatschappelijke ontwikkelingen worden gefaciliteerd. Deze normen worden lokale maximale waarden genoemd (LMW’s).
De invulling van het bodembeleid voor de gemeente Eijsden-Margraten houdt verband met enerzijds de maatschappelijke opgaaf (paragraaf 2.11) en anderzijds de kwaliteit en duurzame geschiktheid van de bodem voor de lokale functie (paragraaf 2.12).
In Eijsden is in verband met de aanwezigheid van een zinkwitfabriek de bodem ter plaatse van de terreinen rondom de fabriek licht tot sterk verontreinigd geraakt met zware metalen. Met name binnen de oudere gedeelten van de bebouwde kom zijn zinkslakken toegepast in de bodem. Het Besluit bodemkwaliteit biedt via het gebiedspecifieke beleid ten aanzien van diffuse verontreinigingen de mogelijkheid om lokale invloed uit te oefenen op de normering. De aanwezigheid van diffuus verhoogde gehalten vormt hiertoe de directe aanleiding.
Hoofdstuk 2
Artikel 2.9