**1..** Nadat het bevoegd gezag een gebouw of terrein niet meer nodig heeft voor de huisvesting van een school, wordt het gebruik ervan zo spoedig mogelijk beëindigd, doch uiterlijk op de datum genoemd in de door het college en het bevoegd gezag ondertekende gezamenlijke akte of de datum zoals vastgesteld door gedeputeerde staten bij de beslissing inzake een geschil over de totstandkoming van een gezamenlijke akte, zoals bedoeld in artikel 110 lid 2 van de Wet op het primair onderwijs.
**2..** Als het bevoegd gezag aan het college schriftelijk meldt dat een gebouw of terrein niet meer nodig is voor het huisvesten van een school, stelt het college vast of er mogelijk sprake is van achterstallig onderhoud aan het gebouw of terrein.
**3..** Als het college vaststelt dat er sprake is van achterstallig onderhoud wordt voordat de eigendomsoverdracht plaatsvindt en na overleg met het bevoegd gezag een staat van onderhoud opgemaakt in opdracht van het college.
**4..** Over de staat van onderhoud wordt overleg gevoerd met het bevoegd gezag.
**5..** Als uit de staat van onderhoud blijkt dat sprake is van achterstallig onderhoud, wordt in het overleg vastgesteld welk deel hiervan voor rekening van het bevoegd gezag komt en of het bevoegd gezag opdracht verstrekt voor het uitvoeren van de werkzaamheden, of dat het bevoegd gezag een in overleg vast te stellen bedrag aan het college betaalt. Als geen overeenstemming wordt bereikt stellen partijen vast welke handswijze verder gevolgd wordt.
**6..** Het opmaken van een staat van onderhoud blijft achterwege als dit naar het oordeel van het college niet nodig is.
Hoofdstuk 6
Artikel 37