Peuteropvang omvat ten minste 2 dagdelen per week. De aanbieder is vrij om de lengte van het dagdeel te bepalen, met dien verstande dat voor de reguliere peuteropvang de twee dagdelen tezamen minimaal 5 en maximaal 7 uren omvatten. De dagdelen hoeven niet dezelfde lengte te hebben. Daarnaast komen voor de gemeentetoeslag maximaal 40 weken in een kalenderjaar in aanmerking. Dit omdat aangenomen wordt dat de peuter in de schoolvakantie geen gebruik maakt van de peuteropvang. Het staat een ouder vrij om in schoolvakanties peuteropvang af te nemen of aan de aanbieder om dit aan te bieden. Dit vormt echter geen aanleiding om de hoogte van de gemeentetoeslag aan te passen. Voor de berekening van de gemeentetoeslag verwijzen we naar artikel 8.
Voor peuteropvanggroepen geldt een minimumaantal van 7 kinderen in de groep met dien verstande dat deze allen tussen de 2 en 4 jaar zijn. In voorkomende gevallen kan een groep onder dit minimum aantal kinderen toch haar registratie houden voor de peuters die in aanmerking komen voor de gemeentetoeslag. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer:
Een aanbieder start met peuteropvang in de gemeente Opsterland. In de opstartfase mag er gedurende een half jaar een bezetting zijn met een minimum van 4 peuters.
De bezetting door vertrek van een deelnemende peuter gedurende een tijdelijke periode onder de 7 kinderen zakt. Dit dient afgestemd te worden met de gemeente en er moet concreet uitzicht zijn op het binnen een periode van 3 maanden weer komen tot een bezetting die aan de minimumeis voldoet.
Een kind kan van de JGZ een indicatie krijgen voor VVE. Het kind is dan een doelgroepkind. De definitie van een doelgroepkind en daarmee de criteria worden vastgesteld door het college. Deze criteria zijn risicofactoren: voldoet een kind aan één of meerdere van deze factoren, dan is er in theorie een risico op een taal- of ontwikkelingsachterstand. De verpleegkundige van de JGZ beoordeelt of het risico dusdanig is, dat een indicatie wordt afgegeven. Na verloop van tijd zou het zo kunnen zijn dat de achterstand ingehaald is of niet meer bestaat. De indicatie kan dan ingetrokken worden. De risicofactoren zijn: het opleidingsniveau ouders, een eventuele indicatie voor Stevig Ouderschap en een omgevingsanalyse (de taalomgeving thuis en de spraak-taalontwikkeling van het kind).
Een aanbieder krijgt een registratie in het LRKP als de GGD daarvoor na inspectie het advies geeft aan de gemeente. Een registratie als VVE- locatie kan plaatsvinden als de GGD en/ of de Inspectie van Onderwijs aangeven dat de locatie aan de wettelijke vereisten voldoet en voldoende kwaliteit voor VVE biedt. Toezicht en handhaving op de kwaliteit van de locaties zoals geconstateerd door de GGD, wordt uitgevoerd volgens de beleidsregels die de gemeente hiervoor heeft opgesteld op grond van de Wet Kinderopvang.
Artikel 1
Begripsomschrijvingen
Onderdeel van Uitvoeringsregels gemeentetoeslag voor peuteropvang en VVE Opsterland 2017