Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 2:

Artikel 10.

Weigeringsgronden

Onderdeel van Verordening Maatschappelijke Ondersteuning Gemeente Tytsjerksteradiel 2018

Eerste lid Ad. a Bestaat er een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling waarop de cliënt aanspraak kan maken, dan wordt er geen maatwerkvoorziening toegekend. Dat wil niet zeggen dat de cliënt de voorziening daadwerkelijk moet hebben, maar dat hij daarop aanspraak heeft. Er is geen sprake van een voorliggende voorziening wanneer deze voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling is afgewezen of vaststaat dat de cliënt hiervoor niet in aanmerking komt Wordt de voorziening op grond van een andere specifieke wettelijke regeling slechts gedeeltelijk vergoed? Ook dan is er sprake van een voorliggende voorziening. De cliënt kan dan niet voor het overige gedeelte van de kosten een beroep doen op de Wmo. Ad. b Deze afwijzingsgrond herhaalt het algemene toetsingskader zoals dat in de wet centraal staat. Ad. c Een algemene voorziening gaat voor op het verstrekken van een maatwerkvoorziening. Ook dit is een uitvloeisel van het algemene toetsingskader van de wet. Ad. d Het is niet de bedoeling dat de gemeente voorzieningen verstrekt aan personen, waarbij aannemelijk is dat zij ook zonder beperkingen, over deze voorziening zouden (hebben kunnen) beschikken . Het college moet steeds onderzoeken of een voorziening ook algemeen gebruikelijk is voor de cliënt . Hierbij zijn de volgende vragen van belang: Is de voorziening gewoon te koop? Is de prijs van de voorziening vergelijkbaar met soortgelijke producten die algemeen gebruikelijk worden geacht? Is de voorziening specifiek voor personen met een beperking ontworpen? Ad. e Hiermee wordt de situatie bedoeld dat de cliënt een melding heeft gedaan en nog voordat een besluit is genomen de voorziening zelf al realiseert of heeft aangekocht. Omdat er dan geen mogelijkheden meer zijn om de voorziening volgens het vastgestelde beleid te verstrekken en er geen invloed meer bestaat op de te verstrekken voorziening, kan in deze situatie de voorziening worden geweigerd. Door deze bepaling wordt voorkomen dat een voorziening waar vroegtijdig mee is begonnen uiteindelijk niet overeenstemt met wat het college als goedkoopst compenserende voorziening beschouwt. Wanneer achteraf wel is vast te stellen dat de voorziening onontkoombaar/noodzakelijk is, geldt deze weigeringsgrond niet. De toets ‘goedkoopst compenserend’ moet dan nog wel plaatsvinden. Mocht hieraan niet worden voldaan, dan komen de meerkosten voor rekening van de cliënt. Onder deze bepaling valt niet de situatie waarin een cliënt de voorziening heeft aangeschaft of gerealiseerd voordat een melding is gedaan. In dat geval is immers ten tijde van de melding geen te compenseren situatie aanwezig. Ad. f In dit onderdeel wordt aangegeven dat de aanvraag geweigerd kan worden als het gaat om een vergoeding of verstrekking die eerder heeft plaatsgevonden, terwijl het de cliënt te verwijten is dat het middel verloren is gegaan. Dit geldt dus niet wanneer het middel verloren is gegaan buiten de schuld van de cliënt om. Ook hier kan de eigen verantwoordelijkheid van een cliënt een rol spelen. Wanneer bijvoorbeeld in een woning een verstelbare keuken of een andere dure voorziening is aangebracht heeft dit gevolgen voor de te verzekeren waarde van de opstal. Dit risico moet in de opstalverzekering gedekt worden. Wanneer vervolgens bij brand of een andere calamiteit blijkt dat de woning onvoldoende verzekerd is, dan kan op dat moment geen beroep op deze verordening worden gedaan. Ad. g De maatwerkvoorziening is gericht op een individuele cliënt. Het past niet om voorzieningen voor een bepaalde categorie personen of groep personen te treffen. Daarvoor zijn de algemene maatregelen en algemene voorzieningen geschikte instrumenten. Tweede lid Ad. a Alleen personen die ingezetene zijn van de gemeente Tytsjerksteradiel en daar dus hoofdverblijf hebben, komen in aanmerking voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie. Ad. b Deze bepaling is opgenomen om aan te geven dat een woning van de ouder(s) of partner bezoekbaar kan worden gemaakt wanneer de aanvrager verblijft in een instelling in het kader van de Wet langdurige zorg. Ad. c In het geval van ouders die niet samenwonen (bijv. co-ouderschap/omgangsregeling) wordt geen maatwerkvoorziening verstrekt voor het adres waar het kind niet staat ingeschreven in de Gemeentelijke Basisadministratie Persoonsgegevens. Dit geldt niet voor het bezoekbaar maken van de woning. Op grond van het Burgerlijk Wetboek volgt een minderjarige de woonplaats van hem die het gezag over het kind uitoefent.  Dit heet ook wel ‘afgeleide woonplaats’. Bij co-ouderschap ligt het ouderlijk gezag in de praktijk vaak bij beide ouders. Het juridische hoofdverblijf wordt meestal door de rechter bepaald en vastgelegd in het ouderschapsplan. Als het hoofdverblijf niet is vastgesteld, dan kan gekeken worden naar het feitelijk verblijf. In de praktijk kan het voorkomen dat het feitelijk verblijf evenredig is verdeeld. De CRvB heeft geoordeeld dat een cliënt niet in meerdere gemeenten (en dus meerdere adressen) tegelijkertijd woonplaats kan hebben. De interpretatie van deze jurisprudentie is dat de inschrijving van het kind in Gemeentelijke Basisadministratie Persoonsgegevens (GBP) doorslaggevend is. Derde lid Ad. a Er hoeft geen voorziening te worden verstrekt als de belemmeringen het gevolg zijn van de aard van de gebruikte materialen. Ook als de beperkingen voortkomen uit achterstallig onderhoud van de woning hoeft er geen woonvoorziening te worden verstrekt. Dit geldt niet als is voldaan aan de volgende twee eisen : cliënt heeft goede pogingen ondernomen om de gebreken door de verhuurder te laten wegnemen; en met het oog op de gezondheidstoestand van cliënt is er binnen redelijkerwijs aanvaardbaar tijdsbestek geen uitzicht op opheffing van de gebreken. Ad. b Een maatwerkvoorziening wordt alleen verstrekt voor woonruimten die als zelfstandige woonruimte worden beschouwd in het kader van de Wet op de huurtoeslag. Het gaat dan om voor permanente bewoning geschikte woonruimte. Er wordt geen maatwerkvoorziening verstrekt ten behoeve van niet voor permanente bewoning geschikte woonruimte zoals hotels en vakantie- en recreatiewoningen. Uit jurisprudentie blijkt dat het niet is toegestaan om woonvoorzieningen voor bepaalde woonruimten categoriaal uit te sluiten . Het uitsluiten van woonvoorzieningen voor niet voor permanente bewoning geschikte woonruimte is wel aanvaardbaar, maar dan moet het college een andere compenserende voorziening verstrekken zoals een verhuiskostenvergoeding. In deze bepaling is dit geregeld door een voorziening voor verhuizing en inrichting te verstrekken wanneer de cliënt verhuist van een niet voor permanente bewoning geschikte woonruimte naar een voor permanente bewoning geschikte woonruimte. Ad. c Een woonvoorziening wordt geweigerd wanneer een voorziening in een gebouw voor een specifieke doelgroep algemeen gebruikelijk is. Het college moet aantonen dat de voorziening algemeen gebruikelijk is. Een voorziening in een gebouw speciaal bedoeld voor gehandicapten of ouderen is in principe algemeen gebruikelijk als : op grond van objectieve gegevens kan worden vastgesteld dat een sociale huurwoning die bestemd is voor een specifieke groep bewoners duidelijk niet voldoet aan de geldende eisen voor een dergelijke woning: op grond van wettelijke voorschriften; algemeen aanvaarde regels; of contractuele bepalingen wordt aangetoond dat de aangevraagde voorziening bij wel voldoen aan die eisen niet nodig zou zijn. Bovenstaande geldt ook voor gebouwen die niet speciaal bestemd zijn voor een bepaalde groep bewoners, maar die in de praktijk wel grotendeels door ouderen of gehandicapten wordt bewoond. Ad. d Voorzieningen die niet in dit artikellid worden genoemd, worden niet verstrekt in gemeenschappelijke ruimten. Wordt een aanvraag op grond van deze bepaling afgewezen, dan bestaat er nog wel een compensatieplicht, bijv. in plaats van een voorziening in de gemeenschappelijke ruimte wordt een verhuiskostenvergoeding verstrekt. Ad. e Als er in de te verlaten woning geen problemen bij de zelfredzaamheid werden ervaren, is de verhuizing naar de nieuwe woning kennelijk de oorzaak van de problemen en is men verhuisd naar een ongeschikte woning. Niet de ondervonden beperking, maar de verhuizing naar een niet geschikte woning is dan de voornaamste oorzaak van de ondervonden problemen. Deze bepaling heeft voornamelijk betrekking op situaties waarin men gaat verhuizen zonder specifieke reden, maar gewoon omdat men daar zin in heeft. Uitzondering op deze bepaling is de zogeheten “belangrijke reden”. Daarbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een verhuizing vanwege samenwoning, huwelijk of het aanvaarden van werk elders. De beoordeling of sprake is van een belangrijke reden is afhankelijk van een weging van alle van belang zijnde feiten en omstandigheden. Ad. f Als een cliënt verhuist, dan moet hij zoeken naar een zo geschikt mogelijke woning. Het is niet de bedoeling dat men zo maar een ongeschikte woning kiest en vervolgens de rekening voor aanpassingen bij de gemeente indient. Met “verhuizen” wordt hier overigens niet alleen gedoeld op de feitelijke verhuizing, maar ook op alle onomkeerbare handelingen die normaal gesproken voorafgaan aan een verhuizing, zoals het tekenen van een koop-, huur- of erfpachtcontract. Voor de toepassing van deze weigeringsgrond is het belangrijk dat de gemeente zicht heeft op de aangepaste of eenvoudig aan te passen woningvoorraad. Daarnaast moet de gemeente haar burgers goed informeren over de gang van zaken bij dit soort verhuizingen. Alleen dan kan worden gemotiveerd dat sprake is van een verhuizing naar de voor de situatie van cliënt meest geschikte woning. Er is sprake van een omkering van de bewijslast wanneer cliënt verhuist vanuit een andere gemeente en zich niet vooraf bij de gemeente meldt om alternatieven te bespreken of om toestemming te vragen. Onder deze omstandigheden ligt het op de weg van cliënt om aan de hand van controleerbare gegevens aannemelijk te maken dat er geen geschikte woning voor cliënt beschikbaar was. Vierde lid In lid 4 is bepaald dat geen pgb voor collectief vervoer wordt verstrekt, omdat dit het voortbestaan van het systeem van collectief vervoer in gevaar brengt . Zie in dit verband ook artikel 11 lid 5.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel