**1..** Het is verboden zonder vrijstelling van het college de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan.
**2..** Het verbod is niet van toepassing op:
vlaggen, wimpels of vlaggenstokken indien deze geen gevaar of hinder kunnen opleveren voor personen of goederen en niet voor commerciële doeleinden worden gebruikt;
zonneschermen, mits ze zijn aangebracht boven het voor voetgangers bestemde gedeelte van de weg en mits:
geen onderdeel zich minder dan 2,2 meter boven dat gedeelte bevindt;
geen onderdeel van het scherm, in welke stand dat ook staat, zich op minder dan 0,5 meter van het voor het rijverkeer bestemde gedeelte van de weg bevindt;
geen onderdeel verder dan 1,5 meter buiten de opgaande gevel reikt;
de voorwerpen of stoffen, die noodzakelijkerwijze kortstondig op de weg gebracht worden in verband met laden of lossen ervan en mits degene die de werkzaamheden verricht of doet verrichten ervoor zorgt, dat onmiddellijk na het beëindigen daarvan, in elk geval voor zonsondergang, de voorwerpen of stoffen van de weg verwijderd zijn en de weg daarvan gereinigd is;
voertuigen, met uitzondering van voertuigen in gestempelde toestand, zoals bijvoorbeeld hijskranen en kraanwagens;
voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard mits deze door hun omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging geen schade aan de weg toebrengen, geen gevaar opleveren voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik van de weg en geen belemmering vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg;
evenementen als bedoeld in artikel 2:24;
terrassen als bedoeld in artikel 2:28a ;
standplaatsen als bedoeld in artikel 5:18.
**3..** Een vrijstelling bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd:
indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg;
in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak.
**4..** Het verbod in het eerste lid geldt niet:
voor de categorieën van voorwerpen die door het bevoegde bestuursorgaan zijn
aangewezen waarbij de nadere regels die voor categorieën van voorwerpen zijn
gesteld in acht moeten worden genomen;
voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer
rijkswaterstaatswerken of de Provinciale Wegenverordening.
**5..** De weigeringsgrond van het derde lid, onder a, geldt niet voor zover in het daarin
geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet
**6..** De weigeringsgrond van het derde lid, onder b, geldt niet voor zover in het geregelde
onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer.
**7..** Een vrijstelling als bedoeld in het eerste lid is niet vereist indien voor het betreffende
gebruik een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de
Wabo is vereist.
**8..** Een vrijstelling als bedoeld in het eerste lid gestelde is eveneens niet vereist indien
voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
er is tenminste 7 werkdagen voorafgaand aan de plaatsing van het object een melding
gedaan aan het college; en voor zover het betreft:
spandoeken;
ballonnen;
gevel- en/of rolsteigers en hekwerken, mits deze niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op het trottoir worden geplaatst en tenminste 1,50 meter vrije ruimte voor voetgangers overblijft;
container, mits;
deze niet langer dan drie achtereenvolgende werkdagen in een parkeervak wordt geplaatst; en
de lengte niet meer dan 5,00 meter en de breedte niet meer dan 2,25 meter bedraagt.
**9..** Het bevoegd bestuursorgaan kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen ten aanzien van het plaatsen van reclame-uitingen.
Artikel 2:11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg
Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.
De vergunning:
wordt verleend als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag op grond van artikel 2.1 van de Wabo, indien het uit te voeren project bestaat uit het geheel of gedeeltelijk uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, in gevallen waarin dat bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit is bepaald; of
kan worden verleend door het college in de overige gevallen (artikel 2.2 van de
Wabo).
Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing indien in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam publieke taken worden verricht.
Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Provinciale wegenverordening, de waterschapskeur, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening.
Op de vergunning bedoeld in het eerste lid, is paragraaf 4.1.3.3. van de Awb (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beschikken) van toepassing.
Artikel 2:12 Maken, veranderen van een uitweg
Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag:
een uitweg te maken naar de weg;
van de weg gebruik te maken voor het hebben van een uitweg;
verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat.
De vergunning kan worden geweigerd:
in het belang van de bruikbaarheid van de weg;
in het belang van het veilig en doelmatig gebruik van de weg;
in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving;
in het belang van de bescherming van openbare groenvoorzieningen in de gemeente;
indien er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of openbaar groen.
Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken, de waterschapskeur of de Provinciale wegenverordening.
Afdeling 6 Veiligheid op de weg
Artikel 2:13 Veroorzaken van gladheid
(Vervallen)
Artikel 2:14 Winkelwagentjes
De winkelier die winkelwagens ter beschikking stelt is verplicht deze te voorzien van de naam van het bedrijf of een ander herkenningsteken, en de in de omgeving van dat bedrijf door het publiek op of langs de weg achtergelaten winkelwagentjes terstond te verwijderen of te doen verwijderen.
Het is verboden een winkelwagentje na gebruik, onbeheerd op andere dan daarvoor bestemde, als zodanig herkenbare, plaatsen achter te laten.
Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer.
Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of voorwerp
Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of dat er op andere wijze voor het wegverkeer hinder of gevaar oplevert.
Artikel 2:16 Openen straatkolken e.d.
Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken.
Artikel 2:17 Kelderingangen e.d.
(Vervallen)
Artikel 2:18 Rookverbod in bossen en natuurterreinen
Het is verboden te roken in bossen, op heide of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van dertig meter daarvan.
Het is verboden in bossen, op heide of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van honderd meter daarvan, voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen.
De verboden in het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht.
De verboden genoemd in het eerste en tweede lid zijn voorts niet van toepassing indien het roken plaatsvindt in gebouwen en op aangrenzende erven.
Artikel 2:18A Verbod op gebruik wensballon
Het is verboden zogenaamde wens- of ufoballonnen, door middel van hete lucht afkomstig van vuur op te laten stijgen;
Onder een wens- of ufoballon wordt mede verstaan: herdenkingsballon, vuurballon, Thaise wensballon, papierballon, geluksballon en dergelijke.
Artikel 2:19 Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp
Het is verboden op, aan of boven het voor voetgangers of (brom)fietsers bestemde deel van de weg op enigerlei wijze prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen aan te brengen of te hebben hangen lager dan 2,6 meter boven dat gedeelte van de weg.
Het verbod geldt niet voor prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen, die op grotere afstand dan 0,25 m uit de uiterste boord van de weg, op van de weg af gerichte delen van een afscheiding zijn aangebracht.
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder weg verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat.
Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
Artikel 2:20 Vallende voorwerpen
(Vervallen)
Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting
De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk, voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.
Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet, of de Belemmeringenwet Privaatrecht.
Artikel 2:22 Objecten onder hoogspanningslijn
Het is verboden binnen een afstand van zes meter aan weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen voorwerpen, opgaand houtgewas of andere objecten, die niet zijn aan te merken als bouwwerken, hoger dan twee meter te plaatsen of te hebben.
Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen indien de elektrische spanning van de bovengrondse hoogspanningslijn dat toelaat.
Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor objecten die deel uitmaken van de hoogspanningslijn.
Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Awb (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:23 Veiligheid op het ijs
Het is verboden:
voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te beschadigen, te verontreinigen, te versperren of het verkeer daarop op enige andere wijze te belemmeren of in gevaar te brengen;
bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de veiligheid geplaatst op de onder a bedoelde ijsvlakten te verplaatsen, weg te nemen, te beschadigen of op enige andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of te belemmeren.
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht of de Provinciale vaarwegenverordening.
Afdeling 7Evenementen
Artikel 2:24 Begripsbepaling
1 In deze afdeling wordt onder evenement verstaan: elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van:
bioscoopvoorstellingen;
markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet en artikel 5:22 van deze verordening;
kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;
het in een inrichting in de zin van de Drank- en horecawet gelegenheid geven tot dansen;
betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties;
activiteiten als bedoeld in artikel 2:9 en 2:39 van deze verordening.
Onder evenement wordt mede verstaan:
een herdenkingsplechtigheid;
een braderie;
een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3 van deze verordening, op de weg;
een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg;
een klein evenement.
Onder klein evenement wordt verstaan: een kleinschalig evenement als bedoeld in artikel 2:25, vierde lid, met een maximale duur van één dag.
Artikel 2:25 Evenement
Het is verboden zonder vergunning of in afwijking van een vergunningvan de burgemeester een evenement te organiseren.
a. De organisator c.q. vergunning aanvrager van door de burgemeester aan tewijzen categorieën vergunningplichtige vechtsportwedstrijden of -gala’s, is niet van slecht levensgedrag.
De burgemeester weigert de vergunning als de organisator c.q. vergunning aanvrager van een evenement als bedoeld in het tweede lid, onder a, van
slecht levensgedrag is, onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 en het genoemde in het derde lid.
Onverminderd het bepaalde inartikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd indien:
de inhoud of uitstraling van het evenement niet past binnen de kwaliteit, zoals het gebruik en uiterlijk aanzien, van de (woon)omgeving;
tegen de organisator in de afgelopen drie jaar een bestuurlijke sanctie is genomen.
Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing opeendaagse evenementen, indien een evenement voldoet aan alle onderstaande voorwaarden:
het een kleinschalig evenement in de openlucht betreftmet uitzondering vande door het college aangewezen wegen, straten en pleinen;
het aantal bezoekers niet meer bedraagt dan 50 personen;
in de bebouwde kom het evenement tussen 09.00 en 23.30 plaatsvindt;
in het buitengebied het evenement tussen 09.00 uur en zonsondergang plaatsvindt;
in de bebouwde kom niet langer dan tot 23.30 uur (live-)muziek ten gehore wordt gebracht;
in het buitengebied niet langer dan tot zonsondergang (live-)muziek ten gehore wordt gebracht;
op zondagen het produceren van geluid dat op een afstand van meer dan 200 meter vanaf de bron hoorbaar is alleen vanaf 13.00 uur plaatsvindt;
de hulpdiensten te allen tijde doorgang wordt verleend, ook in het geval dat het evenement plaats vindt op de openbare weg;
slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte van minder dan 10 m2 per object;
er een organisator is;
de organisator tenminste 7 werkdagen voorafgaand aan het evenement daarvan een melding heeft gedaan aan de burgemeester;
de wegafzetting, indien van toepassing, te allen tijde duidelijk zichtbaar is;
Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de wegin situaties waarin wordt voorziendoor artikel 10 juncto148 van de Wegenverkeerswet 1994.
Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Awb (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Het college stelt een maximum aan het aantal evenementen dat in een bepaalde periode op een bepaalde locatie mag plaatsvinden en kan locaties aanwijzen waar bepaalde evenementen niet mogen plaatsvinden. De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden afwijken van deze normen.
De burgemeester kan besluiten het organiseren van een evenement als bedoeld in het vierde lid te verbieden, indien daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt
Artikel 2:26 Ordeverstoring
Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.
Afdeling 8 Toezicht op openbare inrichtingen
Artikel 2:27 Begripsomschrijvingen
In deze afdeling wordt verstaan onder:
Openbare inrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden bereid of verstrekt. Onder een openbare inrichting wordt in ieder geval verstaan: een hotel, restaurant, pension, café, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis. Onder openbare inrichting wordt tevens verstaan een bij dit bedrijf behorend terras en andere aanhorigheden;
terras: een buiten de besloten ruimte van de inrichting liggend deel van de openbare inrichting waar zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie kunnen worden bereid, verstrekt of genuttigd.
exploitant: natuurlijke persoon of rechtspersoon voor wiens rekening en risico een openbare inrichting wordt geëxploiteerd op grond van het bepaalde in artikel 2:28 of 2:29.
leidinggevende: de natuurlijke persoon, die algemene leiding of onmiddellijke leiding geeft aan de openbare inrichting,alsmede de bestuurder van een rechtspersoon voor wiens rekening en risico de openbare inrichting wordt geëxploiteerd;
Artikel 2:28 Exploitatievergunning openbare inrichting
Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.
De burgemeester weigert de vergunning indien de vestiging of exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit.
In afwijking van artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed.
Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in
een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een ondersteunende activiteit vormen van de winkelactiviteit;
een zorginstelling;
een museum; of
een bedrijfskantine of bedrijfsrestaurant.
5. Bij de toepassing van de in het derde lid genoemde weigeringsgrond houdt de burgemeester rekening met het karakter van de straat en de wijk, waarin de openbare inrichting is gelegen of zal zijn gelegen, de aard van de openbare inrichting,de spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie, de wijze van bedrijfsvoering door de exploitant of de leidinggevende en het levensgedrag van de exploitant of leidinggevende.
a. De exploitant en de leidinggevende(n) van een horecabedrijf
staan niet onder curatele of bewind en
zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag.
De leidinggevende heeft de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt
7 In afwijking van het bepaalde in artikel 2:10 beslist de burgemeester tevens in het geval van een vergunningaanvraag die betrekking heeft op een of meer bij de openbare inrichting behorende terrassen voor zover deze zich op de weg bevinden over de ingebruikneming van die weg ten behoeve van het terras.
Onverminderd het gestelde in het derde en vijfde lid kan de burgemeester de in het zevende lid bedoelde ingebruikneming van die weg ten behoeve van een of meer bij een openbare inrichting horende terrassen weigeren:
indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg dan wel gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan;
indien het terras in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan.
Het bepaalde in het zevende en achtste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatwerken of de op grond van de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde Provinciale wegenverordening.
Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de vergunning als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 2:28A Terrasvergunning zonder exploitatievergunning
Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester de openbare weg in gebruik te nemen ten behoeve van een terras, behorende bij een openbare inrichting waarvoor het bepaalde in artikel 2.28 niet geldt.
De burgemeester kan de vergunning weigeren indien:
naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon en leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van het terras;
het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg dan wel gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan;
dat gebruik een belemmering kan worden voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg.
Bij de toepassing van de in het tweede lid, aanhef en onder a, genoemde weigeringsgrond houdt de burgemeester rekening met het karakter van de straat en de wijk, waarin het terras is gelegen of zal zijn gelegen, de aard van de openbare inrichting en de spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie van het terras.
Het bepaalde in het eerste en tweede lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatwerken of de op grond van de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde Provinciale wegenverordening.
Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de vergunning als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 2:29 Sluitingstijden
Het is de houder van een openbare inrichting verboden dit voor bezoekers geopend te hebben en aldaar bezoekers toe te laten of te laten verblijven op maandag tot en met vrijdag tussen 01.00 uur en 06.00 uur en op zaterdag en zondag tussen 02.00 uur en 06.00 uur.
De burgemeester kan door middel van een vergunningvoorschrift andere sluitingstijden vaststellen voor een afzonderlijke openbare inrichting of een daartoe behorend terras.
De burgemeester kan in geval van bijzondere omstandigheden ontheffing verlenen van de krachtens artikel 2:29, eerste en tweede lid, geldende tijden van geopend zijn, met dien verstane dat wat festiviteiten van afzonderlijke openbare inrichtingen betreft, een maximum geldt van zesmaal per kalenderjaar per openbare inrichting.
Het in het eerste, tweede en derde lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften.
Voor een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:28, vierde lid onder a, gelden dezelfde sluitingstijden als voor een winkel.
Artikel 2:30 Sluiting gebouw
De burgemeester kan de sluiting bevelen van een voor publiek toegankelijk gebouw, inrichting of ruimte als daar:
is gehandeld in strijd met artikel 1 van de Wet op de kansspelen;
door misdrijf verkregen zaken voorhanden, bewaard of verborgen zijn dan wel zijn verworven of overgedragen;
discriminatie heeft plaatsgevonden op grond van ras, geslacht, seksuele gerichtheid of op welke grond dan ook;
wapens als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie aanwezig zijn waarvoor geen ontheffing, vergunning of verlof is verleend of
zich andere feiten of omstandigheden hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het geopend blijven van het gebouw, de inrichting of de ruimte ernstig gevaar oplevert voor de openbare orde, gezondheid en/of zedelijkheid.
De burgemeester trekt het besluit waarin sluiting wordt gelast, in als naar zijn oordeel de in het eerste lid genoemde belangen voortzetting van de sluiting niet langer vereisen.
Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 13b van de Opiumwet.
De burgemeester kan bij handelingen genoemd in het eerste lid voor een openbare inrichting tijdelijk andere sluitingstijden vast stellen dan de sluitingstijden zoals die gelden krachtens artikel 2:29 van de APV.
Artikel 2:31 Verboden gedragingen
Het is verboden in een openbare inrichting:
de openbare orde te verstoren;
zich te bevinden na sluitingstijd of gedurende de tijd dat de openbare inrichting gesloten dient te zijn op grond van een besluit krachtens artikel 2:30, eerste lid;
op het terras spijzen of dranken te verstrekken aan personen die geen gebruik maken van de zitplaatsen die aanwezig zijn op het terras.
Het is bezoekers verboden zich in een openbare inrichting te bevinden gedurende de tijd dat het bedrijf krachtens artikel 2:29 of ingevolge een op grond van artikel 2:30 genomen besluit gesloten dient te zijn.
Artikel 2:32 Handel binnen openbare inrichtingen
In dit artikel wordt onder handelaar verstaan: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.
De exploitant of leidinggevende van een horecabedrijf laat niet toe dat een handelaar of een voor hem handelend persoon in dat bedrijf enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enig andere wijze overdraagt.
Artikel 2:33 Het college als bevoegd bestuursorgaan
Indien een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand gebouw en behorende erf is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college bij toepassing van artikel 2:28 tot en met 2:30 op als bevoegd bestuursorgaan.
Afdeling 9 Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf
Artikel 2:35 Begripsbepaling
In deze afdeling wordt onder inrichting verstaan: elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft;
Artikel 2:36 Kennisgeving exploitatie
Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst, of de exploitatie of feitelijke leiding van een inrichting staakt, is verplicht binnen drie dagen daarna daarvan schriftelijk kennis te geven aan de burgemeester.
Artikel 2.:37 Nachtregister
(vervallen)
Artikel 2:38 Verschaffing gegevens nachtregister
Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of de kampeerder is verplicht aan de exploitant of feitelijk leidinggevende van die inrichting volledig en naar waarheid naam, woonplaats, betrekking, dag van aankomst en de dag van vertrek te verstrekken.
Afdeling 10. Toezicht op speelgelegenheden
Hoofdstuk 2 › Afdeling 5
Artikel 2:10
Voorwerpen of stoffen op, aan of boven de weg
Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening Diemen 2015.
Verwijzingen
- artikel 2
- artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 429
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 2
- artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 2
- artikel 2
- artikel 2
- artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 437
- artikel 13b van de Opiumwet
- artikel 2
- artikel 2
- artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 174 van de Gemeentewet
- artikel 5
- artikel 10
- artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 2
- artikel 5
- Artikel 2
- artikel 2
- Artikel 2
- artikel 2
- artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994
- Artikel 2
- artikel 2
- Artikel 2
- artikel 2
- Artikel 2
- artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994
- artikel 2
- artikel 1
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 1
- artikel 160
- Artikel 2
- artikel 1 van de Wet op de kansspelen