In artikel 17 is de mogelijkheid opgenomen om commissies met bestuursbevoegdheden in te stellen. Dit artikel moet gelezen worden in relatie met artikel 25 Wgr.
In artikel 25, tweede lid van de Wgr is m.i.v. 1 januari 2015 geregeld dat voor het instellen van bestuurscommissies de raden van de deelnemende gemeenten van dit voornemen op de hoogte moeten worden gesteld en in de gelegenheid moeten worden gesteld om hun wensen en bedenkingen ter kennis van de regioraad te brengen. Deze bepaling is in artikel 17, tweede lid van de regeling overgenomen.
Bij het benutten van de mogelijkheid om bestuurscommissies in te stellen is het van belang de coördinerende functie van het dagelijks bestuur in het oog te houden.
Voorkomen moet worden dat integratie van taken in de regio leidt tot instelling van een zodanig aantal commissies dat de beoogde coördinatie van belangenafweging niet bereikt wordt.
In de regeling is in artikel 18 opgenomen dat adviescommissies kunnen worden ingesteld. Dit kunnen zowel commissies van advies aan de regioraad als aan het dagelijks bestuur en de voorzitter zijn. Hiertoe zij verwezen naar artikel 24 Wgr.
Het lid van het dagelijks bestuur dat de betreffende portefeuille heeft hoeft geen lid te zijn van een commissie maar het is wel wenselijk dat een lid van het dagelijks bestuur de commissievergaderingen bijwoont om desgewenst toelichting te kunnen geven en om het dagelijks bestuur rechtstreeks bestuurlijk te kunnen informeren.
Portefeuillehoudersoverleg
De praktijk van de intergemeentelijke samenwerking heeft laten zien dat er behoefte kan bestaan aan betrokkenheid van vertegenwoordigers van de colleges van burgemeester en wethouders bij de beleidsvoorbereiding in intergemeentelijk verband, als verlengstuk van de gemeentelijke beleidsvoorbereiding.
Het algemeen bestuur en dagelijks bestuur kunnen advies vragen aan portefeuillehouders-overleggen. De portefeuillehoudersoverleggen kunnen formeel worden ingesteld als adviescommissies.
Voor de gemeentelijke portefeuillehouders wordt hiermee imperatief een plaats in de beleidsvoorbereiding in verband van de regio vastgelegd.
Bij de instelling van deze adviescommissies kan in een reglement de samenstelling en de bevoegdheden van commissies worden geregeld. Daarbij kan ook worden afgesproken dat de adviezen van deze commissies zwaarwegende adviezen zijn die niet vrijblijvend zijn.
In de opzet van de taak van het portefeuillehoudersoverleg kan worden bepaald dit overleg aanwijsbare invloed te geven op de onderdelen, ten aanzien waarvan advies wordt uitgebracht. Het dagelijks bestuur kan dan slechts enkel met redenen omkleed van een advies afwijken.
Het kan wenselijk zijn om tussen het portefeuillehoudersoverleg en het dagelijks bestuur een rechtstreekse verbinding te leggen. Daarom kan het dagelijks bestuurslid dat meer speciaal belast is met een bepaalde taak ook lid zijn van het desbetreffende portefeuillehoudersoverleg. Hij zal als zodanig, voorzover dat nodig is, de adviezen van een portefeuillehoudersoverleg in het dagelijks bestuur en de regioraad, voorzien van de nodige achtergronden, kunnen toelichten. Ook in overleg met derden zal de portefeuillehouder dan betere accentueringen kunnen aanbrengen. In artikel 25, derde lid van de regeling is geregeld dat het lid van het dagelijks bestuur in de vergaderingen van de commissies waar wordt gesproken over zijn taakonderdeel aanwezig is.
In het reglement van de commissie kan de mogelijkheid worden opgenomen, dat ook anderen dan leden van de commissie aan de beraadslagingen van het overleg deelnemen.
Hoofdstuk VIII, Inlichtingen, verantwoording en terugroeping
Deze artikelen zijn een direct uitvloeisel van de Wgr 1985 en de daarin ingaande 1 januari 2015 aangebrachte wijzigingen.
Intergemeentelijke samenwerking op basis van de Wgr is primair een vorm van verlengd lokaal bestuur, hetgeen wil zeggen dat de regio institutioneel en beleidsmatig is geworteld in de deelnemende gemeenten en daaraan de taakopdracht en democratische legitimatie ontleent.
De leden van de regioraad zijn primair vertegenwoordiger van hun gemeente.
De artikelen 19 tot en met 21 van de regeling moeten gelezen worden in relatie met de artikelen 16 t/m 19a van de Wgr. De feitelijke uitwerking van deze bepalingen vindt plaats door de organen waaraan verantwoording moet worden afgelegd en kan in de reglementen van orde van de regioraad en van de gemeenteraden worden geregeld.
In artikel 19 is de verhouding tussen de regioraad en het dagelijks bestuur geregeld. Het dagelijks bestuur dient in eerste instantie verantwoording af te leggen aan de regioraad en daartoe de regioraad van de gevraagde inlichtingen te voorzien voor zover deze niet in strijd zijn met het openbaar belang.
In artikel 20 is de verhouding tussen enerzijds de regioraad, het dagelijks bestuur en de voorzitter en anderzijds de raden en raadsleden van de deelnemende gemeenten geregeld. Ook hier een inlichtingen en verantwoordingsverplichting.
In artikel 21 is de individuele verhouding tussen de leden van de regioraad en de raden en raadsleden van de deelnemende gemeenten geregeld. Indien ten aanzien van het verstrekken van informatie binnen de regio geheimhoudingsplicht is opgelegd kan het lid van de regioraad aan de gemeenteraad slechts informatie verstrekken of verantwoording afleggen als die raad o.g.v. artikel 25 van de Gemeentewet ook geheimhouding oplegt tot het moment dat deze door de regioraad wordt opgeheven.
Hoofdstuk IX, Vergoedingen