Dit artikel handelt over het lidmaatschap van de regioraad.
In lid 1 is de duur van de zittingsperiode geregeld. Deze is behoudens bij vrijwillig en gedwongen ontslag tot het einde van de zittingsperiode van de gemeenteraad.
Lid 2 geeft aan wanneer de raden van de gemeenten de leden en plaatsvervangend leden dienen aan te wijzen. Dit is in de eerste vergadering van elke zittingperiode van de raad. In lid 5 is geregeld dat bij een tussentijdse vacature, de raad in zijn eerstvolgende vergadering, of indien dit niet mogelijk is, zo spoedig mogelijk een nieuw lid van de regioraad aanwijst. Van de aanwijzing geven burgemeester en wethouders binnen 14 dagen kennis aan de voorzitter van de regioraad.
Zolang de leden van de regioraad raadslid, burgemeester of wethouder zijn van de gemeente die hen heeft aangewezen blijven zij bij ontslag lid van de regioraad tot in hun opvolging is voorzien.
Een lid van de regioraad kan, blijkens lid 4, indien dit lid het vertrouwen van de zijn gemeenteraad niet meer bezit worden ontslagen.
Uit de context van de verschillende leden van artikel 8 blijkt dat bij ontslag wegens het verlies van het vertrouwen van de gemeenteraad dit ontslag als lid van de regioraad onmiddellijk na het raadbesluit ingaat.
Dit artikel is bij de voorliggende wijziging redactioneel op enkele punten aangepast.