De voorzitter voert het woord zo vaak hij dat in verband met de hem in artikel 2 opgedragen taken nodig oordeelt.
De leden en de overige aanwezigen voeren het woord niet dan na het aan de voorzitter gevraagd en van hem verkregen te hebben.
De voorzitter verleent de leden het woord in de volgorde waarin zij het woord aan hem hebben gevraagd.
De voorzitter kan van de in lid 3 bedoelde volgorde afwijken, wanneer een lid het woord vraagt voor het doen van een voorstel van orde;
Interrupties zijn toegestaan, tenzij de voorzitter beslist dat een spreker zijn betoog zonder verdere interrupties afrondt.
De leden en de overige aanwezigen spreken vanaf het spreekgestoelte en richten zich tot de voorzitter. Bij bijzondere gelegenheden kan de voorzitter bepalen dat de leden en de overige aanwezigen vanaf een andere plaats spreken