De artikelen 2 en 3 zijn van toepassing als een motorrijtuig in bewaring wordt gesteld omdat:
de bestuurder vermoedelijk niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van dat motorrijtuig, als bedoeld in artikel 130, vierde lid, van de Wegenverkeerswet 1994;
een ernstig vermoeden bestaat dat het alcoholgehalte van de adem of het bloed van de bestuurder hoger is dan wettelijk toegestane hoeveelheid, dan wel dat de bestuurder de maximumsnelheid heeft overtreden, als bedoeld in artikel 164, zevende lid, van de Wegenverkeerswet 1994;
het kenteken niet behoorlijk zichtbaar op of aan het motorrijtuig aanwezig is, als bedoeld in artikel 174, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994.
Artikel 4
Toepassing van deze verordening bij inbewaringstelling van een motorrijtuig
Onderdeel van Wegsleepverordening Nissewaard 2017