Burgemeester en wethouders regelen de inrichting van de anti-discriminatievoorziening en de uitvoering door die voorziening van de taak als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder a. van de Wet, op een door burgemeester en wethouders te bepalen wijze, onverminderd het bepaalde hierover in het Besluit. Bij die inrichting waarborgt het college in ieder geval de toegankelijkheid en de kwaliteit van die voorziening.
Artikel 2