Naar hoofdinhoud
1.. De applicatiebeheerder houdt een verzameling bij van de autorisaties die overeenkomstig artikel 7, lid 1 en 2, zijn toegekend; 2.. De applicatiebeheerder verstrekt voorlichting aan de gegevensverwerkers met betrekking tot de gevolgen van een nieuwe of gewijzigde versie van het BRP-toepassingssysteem; 3.. De applicatiebeheerder verzorgt - na overleg met de systeembeheerder - de communicatie bij storingen in de hard- en/of software. De applicatiebeheerder stelt direct de beheerder van de storing op de hoogte; 4.. Van bijzondere gebeurtenissen die voortvloeien uit de bevoegdheid, zoals genoemd in artikel 7, lid 8, van de applicatiebeheerder, houdt de applicatiebeheerder een logboek bij. 5.. De applicatiebeheerder verzorgt het testen en evalueren van nieuwe versies van het BRP-toepassingssysteem; 6.. De applicatiebeheerder ziet er op toe dat alle wachtwoorden die noodzakelijk voor de toegang tot het BRP-toepassingssysteem en daarmee tot de verschillende processen, correct worden opgeslagen; 7.. De applicatiebeheerder verzamelt alle problemen en klachten die bij het gebruik van het BRP-toepassingssysteem ontstaan, en tracht, door inschakeling van de systeembeheerder, voor een oplossing te zorgen; 8.. Voorziet in de coördinatie van de werkzaamheden in geval van uitwijk in overleg met de bewerker.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel