Artikel 20, eerste lid, van de IOAW en artikel 20, tweede lid, van de IOAZ geeft het college de bevoegdheid om de uitkering tijdelijk of blijvend te weigeren naar de mate waarin de belanghebbende inkomen als bedoeld in of op grond van artikel 8 van de IOAW of de IOAZ zou hebben kunnen verwerven, indien:
aan de beëindiging van de dienstbetrekking van belanghebbende een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en belanghebbende ter zake een verwijt kan worden gemaakt, of;
de dienstbetrekking van belanghebbende is beëindigd door of op zijn verzoek zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd, of;
belanghebbende nalaat algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden, of;
belanghebbende door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid verkrijgt.
De onder a en b genoemde situaties spelen zich af voorafgaand aan de aanvraag van de uitkering. Situaties genoemd onder c en d spelen zich af tijdens de uitkering. Volstaan wordt met het opleggen van een verlaging van 100% gedurende één maand ongeacht de mate waarin belanghebbende inkomen zou hebben kunnen verwerven.
Artikel 17.Blijvend
en tijdelijk weigeren IOAW- of IOAZ-uitkering
Onderdeel van Afstemmingsverordening 2018