Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 5

Artikel 5.2

Afschrijven

Onderdeel van Nota Waarderen en afschrijven vaste activa gemeente Papendrecht 2018

5.2.1 Afschrijvingstermijnen Het BBV kent geen regels waaraan afschrijvingen moeten voldoen, wel zijn kaders gesteld. De belangrijkste zijn: De methoden volgens welke de afschrijvingen zijn berekend worden in de toelichting op de balans uiteengezet (artikel 51); Afschrijvingen vinden plaats onafhankelijk van het resultaat van het boekjaar (artikel 64 lid 1); Op vaste activa met een beperkte gebruiksduur wordt jaarlijks afgeschreven volgens een stelsel dat is afgestemd op de verwachte toekomstige gebruiksduur (artikel 64 lid 3). De afschrijvingstermijn van een actief is afhankelijk van de gebruiksduur en wordt bepaald door de economische en/of technische levensduur. Omdat de economische levensduur gebaseerd is op een schatting zullen hiervoor richtlijnen moeten worden opgesteld voor de diverse activa. In bijlage 1 is een overzicht opgenomen waarin per activasoort de levensduur wordt weergegeven waarover wordt afgeschreven. Uitgangspunt 8: De afschrijvingstermijnen hanteren zoals opgenomen in bijlage 1. Het afschrijven op gronden neemt een bijzondere plaats in omdat gronden duurzame goederen zijn die niet aan slijtage onderhevig zijn, er vindt geen duurzame waardevermindering plaats. Er bestaat dan ook geen noodzaak tot afschrijven. Zie hoofdstuk 4.3 voor duurzame waardeverminderingen. Er zijn verschillende methoden om op basis van de afschrijvingsduur te komen tot de afschrijving per periode waarvan de lasten worden toegerekend. De belangrijkste methoden zijn: vast percentage van de aanschafwaarde (lineaire afschrijvingsmethode); vast percentage van de boekwaarde (degressief afschrijven, niet gebruikelijk bij de overheid); jaarlijks gelijkblijvende rente- en afschrijvingslasten (annuïtaire afschrijvingsmethode). In de praktijk van de gemeente Papendrecht wordt de lineaire methode gebruikt met uitzondering van woonruimten en gebouwen, deze worden annuïtair afgeschreven. Bij vastgoed is meestal sprak van een stabiele jaarlijks inkomende geldstroom (huur dan wel rijksvergoeding) en daar past annuïtair het beste bij. Het voorkomt dat de baten en lasten ver uit elkaar gaan lopen (kosten nemen i.g.v. lineaire afschrijving af en opbrengsten nemen door indexering toe), waardoor bij vervanging sprake is van een groot negatief verschil Uitgangspunt 9: Lineair afschrijven van activa met uitzondering van woonruimten en gebouwen. Deze worden annuïtair afgeschreven, met uitzondering van toekomstige investeringen in gebouwen groter dan 1.000.000 euro, waarover de raad alsdan besluit hoe zal worden afgeschreven. 1 In het BBV is artikel 64 lid 2 gewijd aan de wijziging van de afschrijvingsmethode. Hierin staat dat slechts om gegronde redenen een afschrijvingswijze gewijzigd mag worden. De reden en de financiële consequenties van de verandering worden in de toelichting op de balans uiteengezet. Ook wordt inzicht gegeven in de consequenties hiervan voor de financiële positie en voor de baten en lasten aan de hand van aangepaste cijfers voor het begrotingsjaar of het voorafgaande begrotingsjaar. De commissie BBV omschrijft een schattingswijziging als een wijziging van een verwachte toekomstige gebruiksduur c.q. gebruiksintensiteit dan wel de "naar verwachting" duurzaam lagere gebruikswaarde. Een bestaande (rest)boekwaarde wordt niet herrekend, maar over de langere, dan wel kortere, dan wel gelijkblijvende verwachte toekomstige gebruiksduur afgeschreven. Een wijziging van de afschrijvingsmethode valt hiermee onder schattingswijziging, er hoeft daarom geen herrekening of herwaardering over de al afgeschreven waarden plaats te vinden. Door de invoering van de notitie rente 2017 kan de situatie ontstaan dat door een rentewijziging de afschrijvingen in een annuïteit aangepast zouden moeten worden. Dit wanneer het rentepercentage in de annuïteit afwijkt van de (gewijzigde) omslagrente. De rentelasten passen we hierop aan. Bij de afschrijvingslasten gaan we uit van de lasten op basis van de eerder (in principe ten tijde van de aanvraag van de investering) berekende annuïteit. We laten de afschrijvingslasten dus ongewijzigd. Enerzijds kan dit aanzienlijke effecten voor de begroting veroorzaken (terwijl alleen de rente muteert). Daarnaast zou dit in beginsel bij elke wijziging van de omslagrente moeten gebeuren, zowel mogelijk op begrotingsbasis als op werkelijke basis. Door de afschrijvingslasten niet aan te passen wordt er feitelijk progressief afgeschreven volgens een van te voren vastgelegd afschrijfschema i.p.v. annuïtair. De rente wordt wel annuïtair bepaald. Deze methodiek is toegestaan, maar het betreft wel een stelselwijziging die door uw raad moet worden vastgesteld. Uitgangspunt 10: Bij wijziging van omslagrente worden de kapitaallasten van de initieel annuïtair afgeschreven activa voor de rentecomponent aangepast, de afschrijving blijft ongewijzigd. Hierdoor wordt die activa voortaan progressief afgeschreven. Extra afschrijven is alleen toegestaan (en zelfs verplicht) als de boekwaarde van het actief hoger is dan het verwachte toekomstige economische nut. Zie hiervoor hoofdstuk 4.3 Afwaarderen activa. De restwaarde van de meeste investeringen is van tevoren veelal moeilijk in te schatten. Op grond van het voorzichtigheidsprincipe wordt er dan ook vanuit gegaan dat de restwaarde nihil is. Indien bij inruil van een productiemiddel sprake is van een restwaarde levert dit in de regel een incidentele boekwinst op. In overeenstemming met de wetgeving wordt de boekwinst ten gunste van de exploitatie gebracht. Hierdoor wordt een inzichtelijk beeld verschaft in de waardering van de vervangende investering. Voor vervoermiddelen wordt een uitzondering gemaakt. Op basis van ervaring en het repeterende karakter van het aanschaffen en inruilen van voertuigen wordt rekening gehouden met een restwaarde van 10% van de aanschafprijs. Er wordt afgeschreven over de aanschafwaarde minus de restwaarde. Indien bij inruil de werkelijke restwaarde afwijkt van de van tevoren ingeschatte 10%, levert dit een boekwinst dan wel verlies op welke ten gunste of laste van de exploitatie wordt gebracht. Uitgangspunt 11: Bij afschrijvingen op investeringen geen restwaarde opnemen. Voor vervoermiddelen geldt een uitzondering, hierbij wordt rekening gehouden met een restwaarde van 10% van de aanschafwaarde.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel