Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4.

Artikel 11.

Overige gedragingen en nadere verplichtingen

Onderdeel van Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ Werk en Inkomen Lekstroom 2018

Aan de Participatiewet ligt het beginsel ten grondslag dat iedereen in eerste instantie in zijn eigen bestaan(kosten) dient te voorzien. Pas wanneer dat niet mogelijk is, kan men een beroep doen op een uitkering. Hoofdregel is dus dat iedereen alles zal moeten doen en nalaten om een beroep op een uitkering te voorkomen. Leidt een gedraging ertoe dat de klant eerder, langer of voor een hoger bedrag is aangewezen op een uitkering, dan is veelal sprake van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Hiervan is in ieder geval sprake bij de volgende gedragingen (als die er toe leiden dat de klant eerder, langer of voor een hoger bedrag is aangewezen op een uitkering): het te snel interen van vermogen; het door eigen schuld verliezen van het recht op een uitkering; het door eigen schuld niet (meer) aanspraak kunnen maken op een voorliggende voorziening. Onverantwoord besteden vermogen, eerste lid Wanneer na interen op het vermogen opnieuw een aanvraag om een uitkering wordt gedaan, moet worden beoordeeld of het interen op een voor de Participatiewet aanvaardbare wijze heeft plaatsgevonden. Dit kan een erfenis zijn of inkomsten uit een loterij. Deze opsomming is niet limitatief. De Participatiewet geeft zelf geen norm hiervoor. Het dagelijks bestuur heeft daarom zelf een norm voor het interen vastgesteld. Doorgaans wordt een interingsnorm van 1,5 maal de van toepassing zijnde uitkeringsnorm gehanteerd. Deze norm wordt ook in de jurisprudentie acceptabel geacht4. Daarnaast kan er reden zijn om het in te teren vermogen lager vast te stellen als gevolg van substantiële noodzakelijke uitgaven. Denk bijvoorbeeld aan de kosten in verband met de noodzakelijke vervanging van duurzame gebruiksgoederen. De interingsnorm dient niet te worden gehanteerd bij het intrekken van het recht op de uitkering5. Nadere verplichtingen artikel 55, derde lid Wanneer de klant onvoldoende actie onderneemt om uitvoering te geven aan de nadere verplichtingen op grond van artikel 55 van de participatiewet. Dit betreft bijvoorbeeld het overgaan tot boedelscheiding, verkoop woning, kinder- dan wel partneralimentatie moet vorderen. Het derde lid maakt het mogelijk een verlaging toe te passen van 100 procent voor de duur van 1maand als er sprake is van het opzeggen van een baan voorafgaande aan de uitkeringsverlening. Mogelijk wordt hiermee het recht op een voorliggende voorziening verspeeld (bijvoorbeeld door het verspelen van recht op grond van de Werkloosheidswet) Ook zonder het verlies van het een voorliggende voorziening kan een verlaging van 100% worden opgelegd. Dit dient per situatie beoordeeld te worden. Met dit lid wordt een grondslag gecreëerd voor verlaging voor verwijtbaar baanverlies voorafgaand aan de uitkeringsverlening. Er kan dus rekening worden gehouden met de feiten voorafgaand aan de meldingsdatum. Voor situaties waarin men tijdens de uitkering (lees na meldingsdatum) verwijtbaar een baan opzegt, dient er al o.g.v. artikel 18 vierde lid sub a te worden verlaagd wegens het niet behouden af aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid. Gezien de verplichtingen van artikel 18 pas gelden deze vanaf de dag van melding dient verwijtbaar baanverlies voorafgaand aan de meldingsdatum als tekortschietend besef te worden uitgewerkt. De genoemde bepalingen worden in principe gedurende 1 maand opgelegd. Afhankelijk van de situatie kan de maatregel over een langere periode worden opgelegd. Het opleggen van een verlaging kan financiële consequenties voor de klant betekenen, echter het opleggen van een verlaging gaan gesprekken vooraf zodat de klant “het ziet aankomen”. Naast het recht op uitkering is het dagelijks bestuur is ook verantwoordelijk voor een correcte uitvoering van de wet. Het dagelijks bestuur kan ook met zorgvuldig handelen zorgvuldig handelen niet voorkomen dat klanten in (financiële) problemen geraken. De verlaging is juist bedoeld om gedragsverandering te bewerkstelligen. 4CRvB 08-06-2004, nr. 01/4164 NABW 5CRvB 02-03-2010, nr. 08/642 WWB

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel