1.Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning een weg aan te leggen, de
verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte
van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de
wijze van aanleg van een weg.
De vergunning wordt verleend:
als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, indien de activiteiten zijn
verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of
voorbereidingsbesluit; of
door het college in de overige gevallen.
Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing indien in opdracht van een
bestuursorgaan of openbaar lichaam publieke taken worden verricht.
4.Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het
Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Verordening wegen
Noord- Brabant, de waterschapskeur, de Telecommunicatiewet of de daarop
gebaseerde Algemene Verordening Ondergrondse Infrastructuren Bernheze.
5.Op de vergunning bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Hoofdstuk 2 › Afdeling 5
Artikel 2:11
(Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg
Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening (APV) Bernheze 2018