1.Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer of van het
Besluit in de openlucht een geluidsapparaat, een (recreatie)toestel of een (bouw)machine in
werking te hebben op een zodanige wijze dat voor een omwonende of overigens voor de
omgeving (geluid)hinder wordt veroorzaakt.
Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.
Het college kan terreinen of wateren aanwijzen, waar het verbod niet van toepassing is op
het in werking hebben van bepaalde in de aanwijzing aangewezen categorieën van
geluidsapparaten, (recreatie)toestellen of (bouw)machines, voor zover wordt voldaan aan de
door het college vast te stellen voorschriften ter voorkoming of beperking van
(geluid)hinder.
De in het derde lid bedoelde voorschriften kunnen onder meer betreffen:
het maximale geluidsniveau;
de situering van geluidsbronnen;
de frequentie en tijden van gebruik.
Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve
beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Afdeling 4 › Afdeling 1
Artikel 4:6A
(Geluid)hinder in de openlucht
Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening (APV) Bernheze 2018