In de Verordening is onderscheid gemaakt tussen algemene voorzieningen (vrij-toegankelijke) en individuele (niet vrij-toegankelijke) voorzieningen op het gebied van jeugdhulp. Deze zijn in artikel 2 uitgewerkt. Daarnaast zijn er nog andere voorzieningen. Dit zijn voorzieningen anders dan in het kader van de Jeugdwet, op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen (zie artikel 1 lid b).
Bij een hulpvraag zal allereerst worden gekeken in hoeverre de hulpvraag kan worden opgelost met gebruikelijke hulp in het kader eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen zoals benoemd in artikel 2.3 lid 1 van de wet. Dit dient een zorgvuldig vastgelegde afweging te zijn, waarin in ieder geval het volgende is meegenomen: het belang van de ouders te voorzien in een inkomen, de belastbaarheid en draagkracht van ouders en die van de sociale omgeving van de jeugdige en zijn ouders. Gebruikelijke hulp is verder uitgewerkt in bijlage 1: gebruikelijke hulp.
Is dit niet toereikend, dan kan worden gekeken naar de mogelijkheden voor een voorziening vanuit de jeugdwet. Voor een deel van de hulpvragen kan worden volstaan met een overige/vrij-toegankelijke voorziening. Hier kunnen de jeugdige en zijn ouders gebruik van maken zonder dat zij daarvoor een verwijzing of een besluit van de gemeente nodig hebben. De jeugdige en zijn ouders kunnen zich voor deze jeugdhulp dus rechtstreeks tot de aanbieder wenden. De publieke gezondheidszorg (bijvoorbeeld consultatiebureaus) en Homestart zijn hier voorbeelden van.
Het college hoeft geen voorziening te treffen als de jeugdige gebruik kan maken van een andere voorliggende voorziening (artikel 1.2 lid 1 Jeugdwet). Een voorliggende voorziening is een voorziening op grond van een andere wet dan de Jeugdwet. Voorliggende voorzieningen waar de jeugdige gebruik van kan maken zijn:
recht op zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz)
recht op zorg op grond van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen
recht op zorg op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw). Dit betreft de basisverzekering. De aanvullende verzekering is geen wettelijk voorliggende voorziening. In het kader van de eigen kracht wordt wel verwacht dat ouders/jeugdigen hier gebruik van maken.
voorzieningen op grond van andere wetten, voor zover het college van oordeel is dat daar aanspraak op bestaat. Het college moet hier aantonen dat inderdaad sprake is van een voorliggende voorziening.
Er is pas sprake van een voorliggende voorziening als de jeugdige ook daadwerkelijk aanspraak kan maken op die voorziening.
Deze criteria voor een individuele voorziening zijn verder uitgewerkt in artikel 3 van de Verordening.
Alvorens verder in te gaan op de artikelen van de Verordening zal in het volgende hoofdstuk het algemene afwegingskader worden geschetst, van waaruit een hulpvraag wordt benaderd.
HOOFDSTUK 1:
Artikel 1.3
Overige, individuele, andere, voorliggende voorziening en gebruikelijke hulp
Onderdeel van Beleidsregels Jeugdhulp Opsterland 2018