Artikel 12 van de Verordening is een uitwerking van de verplichte bepaling in de wet dat de gemeente bij verordening regels stelt voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening, of van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet.
Het college onderzoekt periodiek of er aanleiding is een beslissing aangaande een afgegeven indicatie voor een individuele voorziening nog passend is of dat deze moet worden heroverwogen. Hoe vaak dit noodzakelijk is, hangt mede af van de behoefte aan jeugdhulp van de jeugdige of zijn ouders en van hetgeen bij het onderzoek is vastgesteld. De tussenevaluatie kan ertoe leiden dat het college na onderzoek tot de conclusie komt dat het geheel aan maatregelen nog altijd goed op de persoon is afgestemd, maar ook dat het college na heroverweging beslist dat de jeugdige of zijn ouders meer of minder diensten en een daarbij behorende indicatie nodig hebben.
Daarnaast kan het college de volgende afwijzingsgronden hanteren:
Als op basis van het woonplaatsbeginsel is geconstateerd dat de betreffende gemeente niet verantwoordelijk is (zie bijlage 9);
Als gebruik kan worden gemaakt van een overige voorziening;
Als gebruik kan worden gemaakt van een voorliggende wettelijke regeling die de jeugdwet uitsluit:
Wet Langdurige Zorg;
Zorgverzekeringswet (inclusief aanvullende verzekering, tenzij een hulpvrager alleen verzekerd is voor de basisverzekering);
Wet Passend Onderwijs;
Wet op het Leerlingenvervoer;
Er is (deels) sprake van gebruikelijke hulp (zie bijlage 1) ;
Als de gevraagde individuele voorziening niet past bij de hulpvraag;
In geval van een aanvraag van pgb: als niet aan de voorwaarden wordt voldaan zoals beschreven in hoofdstuk 4.
HOOFDSTUK 5:
Artikel 5.1
Herziening, intrekking of terugvordering en afwijzingsgronden
Onderdeel van Beleidsregels Jeugdhulp Opsterland 2018