Het college kan de graafvergunning of het instemmingsbesluit wijzigen of intrekken, indien:
De grondroerder niet binnen twaalf maanden na het onherroepelijk worden van het instemmingsbesluit of graafvergunning de werkzaamheden als omschreven in het besluit is begonnen;
De exploitatie en het onderhoud van de kabel of leiding gedurende een aaneengesloten periode van ten minste zes maanden is gestaakt dan wel de kabel of leiding anderszins gedurende een periode van ten minste zes maanden niet in gebruik is en niet onderhouden is;
Blijkt dat de graafvergunning of het instemmingsbesluit op basis van onjuiste of onvolledige gegevens is verleend;
De graafvergunning of het instemmingsbesluit in strijd met enig wettelijk voorschrift is afgegeven;
De grondroerder het bepaalde bij of krachtens deze verordening of de voorschriften van de graafvergunning of het instemmingsbesluit niet naleeft;
Na het nemen van het instemmingsbesluit naar het oordeel van het college gegronde aanleiding bestaat te veronderstellen dat het van kracht blijven van de graafvergunning of het instemmingsbesluit onaanvaardbare schadelijke gevolgen heeft voor mens, natuur of milieu en hieraan door het stellen van nadere voorschriften en beperkingen aan het besluit niet kan worden tegemoetgekomen;
Dit noodzakelijk is vanwege de uitvoering van werken.
Hoofdstuk Twee:
Artikel 9