Regionale kaders jeugd
In de Jeugdwet is vastgelegd dat gemeenten op een aantal onderdelen verplicht moeten komen tot bovenlokale samenwerking. Dit betreffen de taken op het gebied van jeugdbescherming en jeugdreclassering, gesloten jeugdzorg, een meldpunt Huiselijk Geweld en Kindermishandeling en de Kindertelefoon. Daarnaast is het zo dat vanuit het oogpunt van efficiëntie bovenlokale samenwerking op onderdelen een duidelijke meerwaarde biedt - rekening houdend met lokale verschillen. Expertise kan gebundeld worden en inkoopkracht kan worden versterkt. Daarnaast moeten gemeenten zich verhouden tot andere samenwerkingsverbanden, bijvoorbeeld die van het onderwijs (zelfs een wettelijke verplichting).
In 2011 zijn in SRE verband gezamenlijk kaders geformuleerd voor wat betreft de decentralisatie jeugdzorg. In 2012 is een functioneel model ontworpen op basis waarvan de individuele gemeenten hun eigen beleid verder vormgeven. Zowel de kaders als het functioneel model zijn gebaseerd op het “wrap around care” principe.
Regionale kaders (vastgesteld door de 21 SRE gemeenten in juni 2012):
Ouders zijn en blijven primair verantwoordelijk voor het opgroeien en de opvoeding van hun kinderen. Dit vraagt om een constante inspanning van ouders;
De samenleving heeft een inspanningsverplichting om ouders aan te spreken op hun verantwoordelijkheden en helpt daarbij;
De leefomgeving van het kind (wijk, school, vrije tijd) is het fundament bij het opgroeien en de ontwikkeling van kinderen;
De nadruk ligt op normaliseren en niet op problematiseren;
Opvoeden is normatief, bij risico’s wordt ingegrepen;
Hulp die geboden wordt, is gericht op herstel van het normale leven van kind en gezin;
Ondersteuning moet gericht zijn op het versterken van de eigen kracht en die van de omgeving (familie, wijk, school);
Hulp wordt ingeroepen in de natuurlijke leefomgeving, het kind wordt niet doorverwezen;
Eén kind, één gezin, één plan, één coördinator.
Aanvullende organisatorische regionale kaders:
Een adequate vraaganalyse en risicotaxatie aan de 'voorkant’ door professionals, die de juiste afweging kunnen maken of er een vervolgtraject nodig is en welke zorg het best passend is.
Optimale professionele handelingsruimte. Ruimte voor professionals, om datgene te doen wat nodig is om vertrouwen te winnen, de eigen kracht van de jeugdigen en/of opvoeders te versterken en daarmee grip op het normale leven te herstellen en te optimaliseren.
Eén coördinator, die samen met het gezin verantwoordelijk is voor het opstellen en uitvoeren van een integraal (gericht op het hele sociale domein) gezinsplan.
Ondersteuning is zo ingericht dat met minder professionals meer problemen aangepakt kunnen worden. De klantroute kent geen overbodige schakels.
Daarnaast is ook in de regio nagedacht over wat lokaal en (sub)regionaal moet worden opgepakt. Hierbij heeft de regio een aantal streefresultaten bepaald:
Iedere gemeente in Zuidoost- Brabant beschikt op 1 januari 2015 over generalistisch werkende teams en heeft afspraken gemaakt over de toegang tot specialistische jeugdzorg en de consultatierol hierin van specialisten.
In te stemmen met voorstel voor niveau regionale samenwerking per zorgvorm (ambulante zorg aan kind en gezin, dagbehandeling, dag- en nachtbehandeling, toezicht en rechterlijke macht: jeugdbescherming en jeugdreclassering en speciale producten). Ontwerpfase regionaal, uitvoering zoveel mogelijk lokaal/subregionaal.
De jeugdbescherming / jeugdreclasseerder wordt bij voorkeur ingekocht bij één gecertificeerde instelling voor de regio Zuidoost- Brabant.
De jeugdbeschermer / jeugdreclasseerder vervult een tandemfunctie met de generalist in het gezin, welke inhoudelijke hulp levert. De jeugdbeschermer / jeugdreclasseerder geeft samen met de generalist het plan van aanpak vorm en is toezichthouder.
In te stemmen met de uitwerking van de risicospreiding voor de zorgvorm dag- en nachtbehandeling, waarbij wordt uitgegaan van een gemiddelde berekening over een periode van 2 jaar of 4 a 5 jaar.
Geen afspraken te maken over het gebruik van zorg (in het verlengde hiervan wordt nagedacht over de verbinding tussen jeugdhulp en passend onderwijs, de integrale regionale crisisdienst en het AMHK (schaal Zuidoost Brabant).
In SRE verband is vervolgens een regionale decentralisatie-agenda opgezet. De 21 gemeenten werken op deze thema’s samen:
Inzet specialistische zorg;
Wettelijke taken (jeugdbescherming en jeugdreclassering, Steunpunt Huiselijk Geweld en Kindermishandeling en Kindertelefoon);
Financiën en sturing (gezamenlijke inkoop en risicospreiding bij inkoop (zeer) dure vormen van zorg.
Op basis hiervan zijn regionale projectgroepen geformeerd met eigen opdrachten. De uitkomsten hiervan zijn beschreven in “21 voor de jeugd” en “21 voor de jeugd 2.0”.
Op basis van de regionale inhoudelijke uitgangspunten en het functioneel model is in de Kempen de “kadernotitie de basis voor Andere Jeugdzorg in de Kempen - dichtbij, in samenhang en effectief” opgesteld en door de individuele gemeenteraden vastgesteld. Ook in Oirschot is deze kadernotitie door de gemeenteraad dus vastgesteld (april 2013). In deze notitie zijn kaders opgenomen in aanvulling op de regionale en landelijke kaders uit het wetsvoorstel:
De generalist is spin in het web, hij kijkt met een onafhankelijke blik.
Specialisten worden alleen ingezet daar waar nodig. Generalistisch waar mogelijk en specialistisch waar nodig.
Generalisten werken pro-actief en vindplaatsgericht.
Om de lokale kracht te benutten bij het signaleren en voorkomen van problemen wordt uitgegaan van de vraag en de kracht van de burger en de wijk. Samen maken zij de omslag van aanbod- naar vraaggericht werken.
Oirschot is echter voor wat betreft de samenwerking op het sociale domein uit de Kempensamenwerking gestapt. Vanaf medio 2013 is Oirschot zich gaan richten op de samenwerking met Best en Veldhoven.
Regionale ambities passend onderwijs
Samenwerkingsverbanden moeten, conform de Wet Passend Onderwijs, een ‘ondersteuningsplan passend onderwijs’ opstellen waarin zij aangeven hoe zij invulling geven aan passend onderwijs. Over dit ondersteuningsplan passend onderwijs voeren samenwerkingsverbanden verplicht overleg met gemeenten om tot afstemming te komen als het gaat om jeugdhulp, onderwijshuisvesting, leerlingenvervoer en leerplicht. Alle gemeenten in de regio zien graag dat het onderwijs werkt met een ondersteuningsplan passend onderwijs dat uitgaat van “leerling centraal” geformuleerde ambities. Voor het voortgezet onderwijs hebben gemeenten regionaal afgesproken de onderstaande ambities/ uitgangspunten te hanteren. Deze ambities werken we de komende jaren, samen met de samenwerkingsverbanden, verder uit.
er is sprake van een sluitend netwerk. Dit blijkt uit de ondersteuningsprofielen van de deelnemende scholen en de spreiding van voorzieningen over de regio;
het onderwijs is inclusief, dat is geen leerlingen buitensluiten op grond van een beperking, en tevens thuisnabij;
er is sprake van een ononderbroken ontwikkelings-/leerlijn. Het ondersteuningsplan beschrijft de samenhang tussen ondersteuning en jeugdbeleid uitgaande van: één kind, één plan, één aanpak en één regievoerder. Concreet: het ondersteuningsplan passend onderwijs beschrijft hoe de ondersteuning op school afgestemd wordt met de zorg en andersom en het ondersteuningsplan beschrijft hoe een doorgaande lijn gerealiseerd wordt op breukvlakken zoals de aansluiting tussen primair en voortgezet onderwijs.
iedere leerling heeft of krijgt een passende leer(werk)plek;
het ondersteuningsplan passend onderwijs gaat uit van het educatieve partnerschap tussen onderwijsgevenden en ouders respectievelijk opvoeders;
medische diagnostiek is niet langer het uitgangspunt voor het ontwikkelingsperspectief van het kind; de focus ligt op diens mogelijkheden en talenten. Het ondersteuningstraject is bedoeld om zoveel mogelijk zelf (weer) te kunnen;
de beschreven werkwijze plaatst een accent op primaire en secundaire preventie en het voorkomen van curatie;
er zijn geen wachtlijsten, geen thuiszitters en het aantal voortijdig schoolverlaters laat een dalende lijn zien;
Vervoer
thuisnabijheid, een passende onderwijsplek en de schoolvoorkeur van ouders vormen de uitgangspunten voor de noodzaak van leerlingenvervoer (waarbij gestreefd wordt naar regionale afstemming van de lokale verordeningen);
Over grensverkeer zijn met andere regio’s duidelijke afspraken gemaakt;
Huisvesting
het ondersteuningsplan passend onderwijs gaat uit van het optimaal benutten van de bestaande vierkante meters, eventueel met inzet van technologie;
huisvestingsvraagstukken (waaronder vragen rondom “tussenvoorzieningen”) worden in regionaal perspectief beschouwd; gebaseerd op specifieke leerlingenpopulaties en een voorstel waar de juiste expertise en passende leer(werk)plek zich zou kunnen bevinden als hiervoor de noodzaak aanwezig is;
Arbeidsmarkt
het ondersteuningsplan passend onderwijs VO beschrijft hoe de overstap van school naar werk in de regio vorm krijgt voor leerlingen met het uitstroomperspectief arbeidsmarkt;
overdracht zoals die van PO naar VO en V(M)BO plaatsvindt op basis van objectiveerbare en betrouwbare leerlinggegevens. Deze gegevens maken afstroom, doorstroom en opstroom op basis van schooladviezen mogelijk;
meten van kwantitatieve en kwalitatieve resultaten (gebaseerd op evaluatiekader 2013 en evaluatieplan 2013 Passend Onderwijs).
Voor zowel het primair als het voortgezet onderwijs geldt dat de ondersteuningsplannen passend onderwijs inmiddels in concept gereed zijn en aangeboden aan de Inspectie. Over de plannen van zowel het primair onderwijs als het voortgezet onderwijs hebben de samenwerkingsverbanden en betrokken regio gemeenten in april 2014 overeenstemming bereikt. In deze ondersteuningsplannen passend onderwijs is een door gemeenten en samenwerkingsverbanden overeengekomen beleidsontwikkelagenda opgenomen waarin we aangeven welke onderwerpen we de komende maanden/ jaren in gezamenlijkheid verder uit willen werken en willen doorontwikkelen. Dit zal deels op regionaal, deels op subregionaal en deels op lokaal (vanuit de Lokale Educatieve Agenda) niveau plaatsvinden.
Hoofdstuk 4.
Artikel 4.1