Naar hoofdinhoud
De decentralisaties zijn omvangrijk en complex. Nog niet alle (financiele) gegevens zijn beschikbaar en nog niet alle wetteksten zijn definitief. De decentralisaties vormen daarom een risico voor de gemeente. Het Centraal PlanBureau heeft een inventarisatie gedaan naar de belangrijkste risico’s voor gemeenten (CPB Notitie, september 2013). Daarnaast zien we een aantal risico’s die met name op lokaal niveau van belang zijn. Samengevat zien we de onderstaande risico’s; De financiële gegevens (over te hevelen budgetten vanuit het Rijk) worden pas bij de mei-circulaire bekend. We kunnen met de visievorming, beleidsvorming en voorbereiding niet hierop wachten. Visie en beleid wordt dus vastgesteld op basis van (zeer globale) voorlopige budgetten. Onze primaire partners in het sociaal domein zijn de gemeenten Best en Veldhoven. Deze samenwerking heeft echter (nog) geen formele status en is minder intensief dan bij andere subregio’s. Dit betekent dat we als relatief kleine gemeente veel zelf moeten oppakken en uitvoeren. Daarnaast zijn we voor een aantal onderdelen nog “gebonden” aan de samenwerking binnen de kempengemeenten. Dit geldt met name voor de ISD De Kempen. (Intergemeentelijke Sociale Dienst De kempen) en het SSC (Shared Service Center Kempengemeenten). Beleid en uitvoering moeten hierdoor (deels) gescheiden opgepakt worden en in sommige gevallen dubbel binnen verschillende samenwerkingverbanden. In hoofdstuk 6 hebben we aangegeven hoe we hiermee om willen gaan. Decentrale uitvoering kan gepaard gaan met schaalnadelen in de uitvoering. Gemeenten opereren op een veel kleinere schaal dan Rijk of provincie. Schaalnadelen kunnen ontstaan door bijvoorbeeld versnippering van kennis en inkoopmacht (CPB Notitie, september 2013). Er kan, zeker bij kleinere gemeenten, een cumulatie van financiële risico’s optreden. Als grote onverklaarde verschillen in de verdeelmodellen cumuleren, kan dit, bovenop de generieke budgetkortingen, individuele gemeenten in financiële problemen brengen. Gemeenten hebben slechts beperkte mogelijkheden om deze zelf op vangen. (CPB Notitie, september 2013) De decentralisatie van taken gaat gepaard met flinke kortingen vanuit het Rijk. Dit afgezet tegen de groei van de doelgroepen van de Jeugdzorg en de WMO in het recente verleden, staan gemeenten voor een forse budgettaire opgave. Daarbij komt nog dat gemeenten met name in de eerste jaren moeten investeren in het opzetten van structuren, verfijnen van processen, monitoren van beleid, scholen van medewerkers etc. Deze bedrijfsvoeringaspecten vragen de eerste jaren een flinke investering, zowel financieel als qua tijdsinzet. In de vanuit het Rijk over te hevelen budgetten is hier geen rekening mee gehouden, naast de invoeringsbudgetten voor het jaar 2014. Tenslotte zijn de te verwachten (financiële) effecten van de inzet op eigen kracht en zelfredzaamheid en preventie (en het daardoor minder inzetten van duurdere zwaardere zorg) pas op langere termijn te verwachten. Zowel bij de Wmo als bij de decentralisatie jeugd zijn gemeenten verplicht om te komen tot zorgcontinuïteit voor burgers die op 31 december 2014 in zorg zijn (of die op een wachtlijst staan). Burgers met een indicatie of met een reeds lopend (zorg)traject op 31 december 2014, mogen voor de duur van maximaal 1 jaar (dus tot uiterlijk 31 december 2015) dezelfde zorg continueren. Dit betekent dat elke burger met een lopende indicatie of lopend zorgtraject voor 31 december 2015 een nieuw ondersteuningsplan heeft. Uitzonderingen op de overgangstermijn van een jaar zijn de pleegzorg en zorgvormen die worden opgelegd door middel van maatregelen (justitie, OM, rechter). Het overgangsrecht hebben we voor de doelgroep jeugd vormgegeven door middel van het Regionaal Transitiearrangement Jeugd dat is opgesteld met de andere gemeenten in de regio Zuidoost Brabant. Hierin hebben de gemeenten gezamenlijk afspraken gemaakt over de continuïteit van zorg en het behoud van de hiervoor benodigde infrastructuur. Jeugdigen en hun ouders kunnen het reeds gestarte traject in 2015 dus gewoon afronden bij de voor hen bekende aanbieder. Voor pleegzorg en jeugdhulp opgelegd in het kader van een rechterlijke maatregel geldt het overgangsrecht voor een langere periode. Financieel gezien betekent deze overgangssituatie en de gemaakte afspraken dat een (aanzienlijk) deel van de in 2015 te besteden budgetten al vastliggen. We hebben passend onderwijs niet meegenomen in de voorlopige begroting. De overheveling van budgetten vanuit het Rijk voor passend onderwijs gaat naar de samenwerkingsverbanden passend onderwijs (dus niet naar de gemeente). Wel zijn financiele effecten van passend onderwijs te verwachten op bijvoorbeeld leerlingenvervoer en (mogelijkerwijs) onderwijshuisvesting. De financiele gevolgen hiervan zijn op dit moment nog niet aan te geven.

Rechtspraak bij dit artikel