Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3.

Artikel 3.3.3.

Innemen standplaats

Onderdeel van Beleidsregel standplaatsen 2017

1.. Voordat de standplaats fysiek wordt ingenomen moet vooraf contact op worden genomen met de afdeling Dienstverlening om de exacte plaats van de standplaats te bepalen. 2.. De standplaatsinrichting mag een frontbreedte van maximaal 25 meter hebben en een diepte van maximaal 3 meter. 3.. Een terras mag geen onderdeel uitmaken van de standplaatsinrichting. Maximaal 2 statafels mogen tot de standplaatsinrichting behoren. 4.. De standplaatsinrichting mag maximaal een uur voor aanvang van het tijdstip, waarop volgens de vergunning gestart mag worden met de activiteiten, worden geplaatst. Maximaal een uur na afloop van het tijdstip, waarop volgens de vergunning gestopt moet worden met de activiteiten, moet de standplaatsinrichting zijn verwijderd. 5.. Standplaatshouder is verplicht zijn standplaats voor zonsopgang en vanaf zonsondergang voorzien te hebben van een verlichting, welke geen hinder toebrengt aan omwonenden en waarmee de uitgestalde goederen helder verlicht zijn. 6.. De standplaats moet zo worden ingericht dat zo min mogelijk parkeergelegenheid verloren gaan. 7.. Het is niet toegestaan wagens te parkeren op de plaats waarop deze standplaatsvergunning betrekking heeft, tenzij onlosmakelijk verbonden met het innemen van de standplaats. 8.. De standplaats moet zo worden ingenomen dat geen overlast wordt veroorzaakt en dat de verkeersvrijheid en -veiligheid niet in het gedrang komen. 9.. Er mag geen gebruik worden gemaakt van luidsprekers en versterkers. 10.. Standplaatshouder is verplicht er zorg voor te dragen dat zijn standplaats steeds een goed verzorgd aanzien biedt. 11.. Voor het inzamelen van afval moeten voldoende voorzieningen worden getroffen. 12.. Bij het ontruimen moet de standplaatshouder zijn standplaats en de onmiddellijke omgeving daarvan schoon opleveren. 13.. Afvalwater mag alleen worden afgevoerd via een rioolput in de omgeving van de ingenomen standplaats. 14.. Standplaatshouder moet voor het vastmaken in de straat van de verkoopwagen/verkoopkraam gebruik te maken van de daarvoor bestemde “ogen” dan wel van andere aanwezige voorzieningen voor het vastmaken. Indien geen voorzieningen aanwezig zijn mogen geen eigen voorzieningen in de grond of in of tussen de bestrating/verharding worden aangebracht.

Rechtspraak bij dit artikel