Naar hoofdinhoud
4.1.1 Toetsingskader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen. Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging; het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen. Om te bepalen of een project "niet in betekenende mate" bijdraagt aan de luchtkwaliteit is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd. Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit: het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM; het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO2 en PM10 (1,2μg/m3). 4.1.2 Doorwerking plangebied Deze beheersverordening maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk. De bestaande rechten worden gerespecteerd. Als gevolg hiervan is er geen effect op de luchtkwaliteit te verwachten.

Rechtspraak bij dit artikel