Het in artikel 5:35, eerste lid, gestelde verbod geldt niet voor zover het betreft:
verbranding van snoeihout dat afkomstig is van landschappelijk onderhoud;
verbranding van snoeihout dat overblijft na het rooien van bomen en struiken in het kader van landschappelijk onderhoud;
verbranding van hout in geval van besmettelijke ziekten waardoor vervoer niet mogelijk is, zoals bacterievuur/perenvuur, iepenziekte, loodglans en fruitkanker;
particuliere paasvuren.
Als voldaan wordt aan de volgende voorschriften:
Op de dag van verbranding moet de organisator van het vuur via de site http://www.natuurbrandrisico.nl/ (internet) controleren wat het risico is bij het branden. Als er sprake is van de fase ‘extra alert’ bent u extra oplettend op het ontstaan van brand. Als het mogelijk is stelt u het verbranden uit.
Het hout voor een particulier paasvuur mag alleen bestaan uit snoeihout. Dit snoeihout mag zowel afkomstig zijn van snoei- en rooiwerkzaamheden in het kader van landschappelijk onderhoud, als van andere snoeiwerkzaamheden. Het snoeihout mag dus ook afkomstig zijn van bijvoorbeeld particuliere erven en uit particuliere tuinen.
Er mag geen snoeihout van derden worden verbrand.
Tijdens de verbranding is er continu toezicht op het vuur door een meerderjarige persoon om brandoverslag en ongelukken te voorkomen.
Bij mist mag er geen verbranding plaatsvinden.
Het te verbranden hout is uitwendig droog.
Het verbranden is niet toegestaan bij een windkracht minder dan één Beaufort (minimaal 0,3 m/s) of meer dan vijf Beaufort (maximaal 10,7 m/s).
Door de verbranding mag geen overlast voor de omgeving en het verkeer optreden.
Als de brandstapel een omvang heeft van 25 m3 of meer moet een afstand van minimaal 100 meter worden aangehouden tussen de brandstapel en brandbare objecten (bijvoorbeeld gebouwen of beplanting/bos/natuurgebieden). Heeft de brandstapel een omvang van minder dan 25 m3? Dan moet een afstand van minimaal 50 meter worden aangehouden. In bijzondere gevallen mogen deze afstanden met toestemming van de brandweer kleiner zijn.
Ter voorkoming van uitspoeling moet tussen de brandstapel en oppervlaktewater een afstand van ten minste 10 meter worden aangehouden.
Er mag alleen verbrand worden tussen zonsopgang en zonsondergang. Dit geldt niet voor particuliere paasvuren.
De brandstapel mag niet met behulp van brandbare vloeistoffen zoals benzine, petroleum of (afgewerkte) olie worden aangestoken.
Het vuur mag niet met bladeren, houtwol, hooi, stro of dergelijke gemakkelijk opstijgende brandstof worden onderhouden.
Het verbranden vindt plaats op een onbrandbare ondergrond.
Er mag geen verbranding plaatsvinden op zon- en feestdagen. Dit geldt niet voor particuliere paasvuren.
De organisator van het vuur moet na verbranding van het vuur het naverbranden beperken. Er mag geen overlast ontstaan voor omwonenden. Is wel sprake van overlast, dan wordt het vuur afgeblust.
Als burgemeester en wethouders of de burgemeester, ongeacht de reden, alsnog oordelen dat het vuur niet mag worden ontstoken heeft de organisator geen enkele aanspraak op schadevergoeding.
In geval van verbranding van hout met een besmettelijke ziekte, zoals genoemd onder c, is er een verklaring van een ter zake deskundige medewerker van de gemeente Berkelland.
Door de medewerkers van politie, gemeente (toezichthouders) en/of brandweer gegeven aanwijzingen worden direct opgevolgd.
Artikel 3