Naar hoofdinhoud

Artikel 12.

Regels voor bijdrage in de kosten van maatwerk- en algemene voorzieningen

Onderdeel van Verordening maatschappelijke ondersteuning Diemen 2015

1. . Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd: voor het gebruik van Wmo-vervoer als algemene voorziening voor inwoners van 75 jaar en ouder en als maatwerkvoorziening voor inwoners jonger dan 75 jaar, en, voor een maatwerkvoorziening in natura dan wel pgb, zolang de cliënt van de maatwerkvoorziening in natura gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt. 2. . In afwijking van het eerste lid onder b is geen bijdrage verschuldigd voor een rolstoel en voor dagbesteding voor niet AOW-gerechtigden. 3. . De bijdrage, bedoeld in artikel 3.1, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 dan wel het totaal van de bijdragen, is gelijk aan de kostprijs, tot aan ten hoogste € 17,50 per vier weken voor de cliënt of per huishouden, tenzij overeenkomstig hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 geen of een lagere bijdrage is verschuldigd. 4. . In afwijking van artikel 3.8, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 kan het college voor bepaalde doelgroepen een lagere kostprijs voor de berekening van de eigen bijdrage in nadere regels vaststellen. 5. . De kostprijs voor een maatwerkvoorziening wordt berekend op basis van: als de dienst per uur wordt geleverd, de gecontracteerde uurprijs en de geleverde uren; als de dienst per dagdeel wordt geleverd, de gecontracteerde prijs per dagdeel en de geleverde dagdelen; als de dienst per etmaal wordt geleverd, de gecontracteerde prijs per etmaal en de geleverde etmalen; voor woon- en vervoersvoorzieningen, niet zijnde Wmo vervoer, de laagste kostprijs die de gemeente betaalt voor de voorziening; in het geval van een pgb, de hoogte van het pgb. 6. . In de gevallen, bedoeld in artikel 2.1.4., zevende lid, van de wet, worden de bijdragen voor een maatwerkvoorziening in natura of pgb door het CAK vastgesteld en geïnd, 7. . De bijdrage voor een maatwerkvoorziening voor een minderjarige cliënt is verschuldigd door de onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene tegen wie een op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek gegrond verzoek is toegewezen, en degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een cliënt.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel