Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 2. › AFDELING 11.

Artikel 2.57

Loslopende honden

Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening

1.. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen: binnen de bebouwde kom op de weg zonder dat die hond aangelijnd is; buiten de bebouwde kom zonder dat die hond begeleid wordt; op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats; op de weg zonder voorzien te zijn van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen. 2.. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond onaangelijnd op een natuur- en recreatieterrein te laten verblijven of te laten lopen: indien de terreinbeheerder op bebording heeft aangegeven dat honden aangelijnd dienen te zijn; indien aanwijzigen van de beheerder of toezichthouder van het natuur- en recreatieterrein niet worden opgevolgd en een hond overlast veroorzaakt. 3.. Het college kan plaatsen aanwijzen waar het verbod genoemd in het eerste lid onder a niet geldt. 4.. De verboden genoemd in het eerste lid onder a en c gelden niet voorzover de eigenaar of houder van een hond zich vanwege zijn handicap door een geleidehond laat begeleiden of als een eigenaar of houder van een hond deze aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond.

Rechtspraak bij dit artikel