In de maatregelverordening zijn voor allerlei gedragingen die een schending van een verplichting betekenen, standaardmaatregelen vastgesteld in de vorm van een vaste (procentuele) verlaging van de bijstandsnorm.
In het tweede lid is de hoofdregel neergelegd dat een maatregel wordt afgestemd op de omstandigheden, de mogelijkheden van de belanghebbende om middelen te verwerven en gelet op diens bijzondere omstandigheden, dringende redenen daartoe noodzaken. Deze bepaling brengt met zich mee dat het college bij elke op te leggen maatregel zal moeten nagaan of gelet op de individuele omstandigheden van de betrokken belanghebbende afwijking van de hoogte en de duur van de voorgeschreven standaardmaatregel geboden is.
De regering ziet geen aanleiding om rekening te houden met een verminderde verwijtbaarheid. Iets is verwijtbaar en dus een reden voor een maatregel, of het is niet verwijtbaar en dan is er geen reden voor een maatregel (...).
(Bijzondere) omstandigheden?
Matiging van de opgelegde maatregel wegens persoonlijke omstandigheden kan bijvoorbeeld in de volgende gevallen aan de orde zijn: bijzondere financiële omstandigheden van de belanghebbende, zoals bijvoorbeeld hoge woonlasten of andere vaste lasten of uitgaven van bijzondere aard waarvoor geen financiële tegemoetkoming mogelijk is; sociale omstandigheden, gezinnen met kinderen bijvoorbeeld.
Dringende redenen
De verordening stelt een algemene verplichting tot het opleggen van een verlaging voorop. Uitzonderingen moeten echter mogelijk zijn als voor de belanghebbende onaanvaardbare consequenties zouden optreden. Uit het woord "dringend" blijkt dat er wel iets heel bijzonders en uitzonderlijks aan de hand moet zijn, wil een afwijking van het algemene principe gerechtvaardigd zijn. Wat dringende redenen zijn, is afhankelijk van de concrete situatie en kan dus niet op voorhand worden vastgelegd. Er kan worden gedacht aan enerzijds een mindere mate van verwijtbaarheid ten aanzien van de gedraging en anderzijds aan de financiële of sociale gevolgen voor belanghebbende en/of diens gezin. Daarbij moet worden opgemerkt dat ernstige financiële gevolgen op zichzelf geen reden zijn om van een verlaging af te zien, omdat dit inherent is aan het verlagen van een uitkering. De ‘dringende reden’ moet niet verward worden met de ‘zeer dringende reden’ van artikel 16 Participatiewet. De beoordeling van artikel 16 Participatiewet is volgens vaste jurisprudentie van de CRvB nog stringenter (alleen afwijken bij gevolg overlijden of invaliditeit).
Voor de uitleg van de ‘dringende reden’ kan aansluiting gezocht worden bij de uitleg die de CRvB aan deze term geeft. Enkele voorbeelden uit uitspraken:
Dringende redenen hebben alleen betrekking op de eventuele gevolgen van de terugvordering (lees hier: de maatregel). zie CRvB 16-09-2008, nr. 07/3229 WWB, CRvB 22-03-2011, nrs. 09/5057 WWB e.a..
Het moet gaan om een zodanige bijzondere situatie, dat terugvordering (lees hier: het opleggen van een maatregel) zou leiden tot onaanvaardbare financiële of sociale consequenties voor de belanghebbende (zie CRvB 26-02-2008, nr. 06/6854 WWB en CRvB 04-09-2012, nrs. 10/7048 WWB e.a.).
Lichamelijke en psychische klachten die al enige tijd bestaan en dus niet in het bijzonder het gevolg kunnen zijn van het terugvorderingsbesluit (lees hier: het besluit tot opleggen van een maatregel), worden niet aangemerkt als dringende redenen, evenals de hoogte van de vordering (lees hier: maatregel) zie CRvB 07-12-2010, nrs. 09/3973 WWB e.a.).
de omstandigheid dat belanghebbende (weer) in een schuldsaneringstraject is opgenomen is geen grond voor het oordeel dat de terugvordering (lees hier: de maatregel) onaanvaardbare sociale of financiële consequenties heeft (zie CRvB 06-07-2010, nr. 08/354 WWB).
Verwijtbaarheid
Het afzien van het opleggen van een verlaging “indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt", volgt uit artikel 18, negende lid, van de Participatiewet, respectievelijk artikel 20, derde lid, van de IOAW en artikel 20, derde lid, van de IOAZ. In deze verordening is daarom de term ´verwijtbaarheid´ niet opgenomen in een artikel.
Van het ontbreken van verwijtbaarheid is uitsluitend sprake bij evidente afwezigheid hiervan. Het is aan het college te beoordelen of elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt aan het betreffende gedrag. Is vanwege de afwezigheid van elke vorm van verwijtbaarheid afgezien van een verlaging, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van recidive deze gedraging mee te tellen. Is vanwege de afstemming op grond van artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet van een verlaging afgezien dan is daarin geen reden gelegen om de betreffende gedraging buiten beschouwing te laten in geval van recidive.
Lik op stuk
Een andere reden om af te zien van het opleggen van een verlaging is dat de gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille van de effectiviteit (“lik op stuk”) is het nodig dat een verlaging spoedig nadat de gedraging heeft plaatsgehad, wordt opgelegd. Het is voorstelbaar dat wanneer een maatregelwaardige gedraging meer dan 12 maanden geleden heeft plaatsgevonden dat er afgezien wordt van het opleggen van een maatregel. Een en ander is afhankelijk van de individuele situatie per geval.
Afzien of verlagen is ook mogelijk bij geüniformeerde arbeidsverplichtingen.
Schriftelijke mededeling in verband met recidive
Het doen van een schriftelijke mededeling in een beschikking dat het college afziet van het opleggen van een verlaging wegens dringende redenen is van belang in verband met eventuele recidive.
Hoofdstuk 1.
Artikel 2.
Het opleggen van een maatregel
Onderdeel van Maatregelverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ Weststellingwerf 2017