Deze subsidieregeling ziet niet op het toewijzen van de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering aan specifieke gecertificeerde instellingen; enkel op de subsidiëring van de uitvoering van daarmee verband houdende werkzaamheden en enkel door op grond van deze regeling geselecteerde gecertificeerde instellingen. Dit volgt logischerwijs uit het feit dat het uiteindelijk niet aan de gemeente is om in individuele gevallen te bepalen welke gecertificeerde instelling belast wordt met de uitvoering van een specifieke maatregel. Wel is het aan de gemeente om te bepalen welke gecertificeerde instellingen door hen gesubsidieerd worden en ten aanzien van welke activiteiten subsidie verleend kan worden. Daarmee heeft de gemeente in algemene zin een zekere invloed op door welke gecertificeerde instelling(en) de subsidiabele activiteiten uiteindelijk uitgevoerd gaat (gaan) worden.
Voor de vraag aan wie de uitvoering van een maatregel in een concreet geval toegewezen wordt spelen verder de afspraken die het college met de RvdK maken een belangrijke rol (Samenwerkingsprotocol). Hierin worden de inhoudelijke uitgangspunten vastgelegd die het college ten grondslag legt aan het overleg met de RvdK over welke gecertificeerde instelling in het verzoekschrift aan de rechter wordt opgenomen (zie onder meer artikel 3.1, zesde lid, van de Jeugdwet).
Op basis van deze uitgangspunten en de prognose en het te hanteren tarief van het college kunnen gecertificeerde instellingen een inschatting maken van welke capaciteit – en eventueel, welke bijzondere expertise – zij minimaal en maximaal moeten leveren voor de uitvoering van de te subsidiëren activiteiten als ze geselecteerd / gesubsidieerd worden. Op basis van deze inschatting en hun oordeel of zij aan de vereisten en verplichtingen kunnen voldoen, kunnen zij de afweging maken of zij subsidie willen aanvragen. De uitgangspunten en de prognose dienen daarom tijdig, adequaat en duidelijk bekendgemaakt te worden en zodanig geformuleerd te zijn dat zij de gecertificeerde instellingen inderdaad in staat stellen een inschatting te maken van de benodigde capaciteit en deskundigheid en hun aanvraag daarop af te stemmen.
Zoals aangegeven wordt in de subsidieverleningsbeschikking telkens per individuele gecertificeerde instelling de bevoorschotting geregeld (zie verder artikel 13). Ook hierbij zijn de uitgangspunten en de prognose, dan vertaald naar de specifieke situatie van betreffende gecertificeerde instelling, leidend.
Artikel 5.
Kennisgeving prognose, tarief (en uitgangspunt overleg B&W en de RvdK)
Onderdeel van Uitvoeringsregeling jeugdbescherming en jeugdreclassering Regio Limburg Noord