Naar hoofdinhoud
1.. Aanvragen om subsidie worden in volgorde van binnenkomst behandeld met in achtneming van artikel 2 en 3 lid 1 van deze verordening. 2.. Bij de beslissing op aanvragen om geldelijke steun houden burgemeester en wethouders in elk geval rekening met: de prioriteiten, die in het kader van het gemeentelijk monumentenbeleid worden gesteld. de monumentale waarde van het object. de bouwtechnische- en uiterlijke staat van het monument alsmede het gebruik daarvan, mede in relatie tot zijn omgeving. 3.. De subsidie kan worden vastgesteld nadat de werkzaamheden conform de subsidieverlening zijn uitgevoerd, gereed gemeld en akkoord zijn bevonden. 4.. Indien de voortgang van de werkzaamheden dat rechtvaardigt kan een voorschot op de subsidieverlening worden uitbetaald. Het voorschot kan ten hoogste 60% van de subsidieverlening bedragen. 5.. Aanvragen om subsidie, waarover in verband met het bepaalde in het eerste lid niet positief kan worden beschikt, worden door burgemeester en wethouders voor dat betreffende jaar afgewezen. Aanvragen als bedoeld in artikel 4 lid 5 sub a behoeven niet opnieuw te worden ingediend. Deze worden in het eerst volgend jaar, waarop door de gemeenteraad een subsidieplafond is vastgesteld op de oorspronkelijk ingediende volgorde als eerste in behandeling genomen. 6.. In geval van een calamiteit, waarbij de monumentale waarde van een monument in het geding is, kunnen burgemeester en wethouders met in achtneming van artikel 4 lid 1 van deze verordening, afwijken. 7.. Met de uitvoering van de werkzaamheden mag niet worden begonnen voordat op de aanvraag om subsidie door burgemeester en wethouders is beslist. Op verzoek van de eigenaar kan desgewenst vooruit lopend op de te nemen beslissing omtrent de subsidieverlening door burgemeester en wethouders met de werkzaamheden worden gestart nadat de subsidiabele restauratiekosten zijn vastgesteld.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel