Het college verleent uitstel van betaling als haar ambtshalve of op basis van een gemotiveerd verzoek van belanghebbende duidelijk is dat belanghebbende geen mogelijkheid heeft om binnen de gestelde betalingstermijn tot algehele aflossing van de vordering over te gaan.
Voor zover belanghebbende beschikt over aflossingscapaciteit kan het college aan het verleende uitstel de voorwaarde verbinden dat belanghebbende deze aflossingscapaciteit aanwendt ter aflossing van de openstaande schuld.
Bij een fraudevordering of boete verbindt het college aan de verlening van uitstel of verder uitstel de extra voorwaarde dat belanghebbende, als hij over vermogen beschikt dan wel komt te beschikken dit vermogen, voor zover dit meer bedraagt dan de voor hem geldende bijstandsnorm dit aanwendt ter aflossing van de openstaande schuld.
Bij de vaststelling of belanghebbende over vermogen beschikt als bedoeld in het derde lid:
a. worden de vorderingen die het gevolg zijn van te veel ontvangen uitkering buiten beschouwing gelaten; en
b. is het bepaalde in artikel 34, tweede lid, onder a en d van de Pw van overeenkomstige toepassing.
Het uitstel wordt ingetrokken indien de belanghebbende de aflossingsverplichting niet nakomt.
Hoofdstuk 3
Artikel 8
Uitstel van betaling
Onderdeel van Beleidsregels terug- en invordering Participatiewet, IOAW en IOAZ De Wolden